Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:23409
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,468 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL21.14645 E
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Chamkh).
Procesverloop
Bij besluit van 10 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, J. Cimgh als tolk in de Engelse taal, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en [de persoon] van stichting [stichting].
In een tussenuitspraak van 13 mei 2024 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. De rechtbank verwijst allereerst naar de tussenuitspraak. Deze einduitspraak bouwt namelijk hierop voort. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat sprake is van motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken in het bestreden besluit. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om deze gebreken binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak te herstellen. De rechtbank heeft overwogen dat herstel kan plaatsvinden door eiseres aanvullend te horen, waarna een nieuwe integrale beoordeling diende te worden gemaakt ten aanzien van de geloofwaardigheid van de gestelde lesbische gerichtheid van eiseres. Verweerder heeft op 30 mei 2024 geschreven, gebruik te willen maken van deze herstelmogelijkheid. Verweerder heeft echter vervolgens geen gebruik gemaakt van deze herstelmogelijkheid en heeft de rechtbank ook niet binnen de gestelde hersteltermijn verzocht deze termijn te verlengen.
3. Dit betekent dat de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet zijn hersteld. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is om de geloofwaardigheid van eiseres’ asielrelaas en de aannemelijkheid van haar vermoedens over wat haar bij terugkeer naar Zambia te wachten staat, te beoordelen en die beoordeling deugdelijk en zorgvuldig te motiveren. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de tussenuitspraak en de onderhavige einduitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
4. De rechtbank ziet aanleiding om een dwangsom op te leggen gezien de lange duur van de procedure. De aanvraag van eiseres dateert namelijk van 12 februari 2020. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 7.500,-. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat deze dwangsom om verweerder te stimuleren om spoedig te beslissen.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 875,-, en een wegingsfactor 1). Als aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; en,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzitter, en mr. H.J. Doets en mr. Y. Moussaoui in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.