Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:23408
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,655 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.35871
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 28 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen en hebben toestemming gegeven de zaak op de stukken af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
2.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar mocht uitvaardigen aan eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Terugkeerbesluit
3.1.
Eiser stelt zich primair op het standpunt dat het besluit onrechtmatig is. Eiser doet hierbij een beroep op artikel 8 van het EVRM. Volgens hem had verweerder een belangenafweging moeten maken en is geen ‘fair balance’ getroffen. Eiser heeft sterke banden met Nederland omdat hij hier al ruim zeventien jaar woont en zijn leven in dit land heeft opgebouwd. Daarnaast heeft eiser veel familie en vrienden in Nederland wonen waar hij een sterke band mee heeft. Eiser heeft werk en genereert ‘zwart’ inkomen. Met het overlijden van zijn ouders is eisers band met Algerije verbroken. Hij heeft daar niets meer.
3.2.
Uit het Cannabisarrest volgt dat verweerder bij uitvaardiging van een terugkeerbesluit rekening moet houden met de relevante aspecten van het familie- en gezinsleven dan wel het privéleven van de betrokken derdelander.
3.3.
Eiser is op 28 augustus 2024 gehoord. Uit het proces-verbaal van dit gehoor volgt dat eiser in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven op het voornemen van verweerder om aan hem een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Eiser heeft daarop aangegeven dat hij niet wil praten. Toen eiser aanstalten maakte om de verhoorkamer te verlaten, heeft de verbalisant eiser gezegd dat het gehoor de kans is om zijn persoonlijke verhaal te vertellen en zijn mening te geven waarna de verbalisant eiser heeft gevraagd om zijn verhaal te vertellen. Eiser heeft vervolgens aangegeven terug te willen naar zijn cel en heeft daarbij meermaals aangegeven dat hij niet gaat praten.
3.4.
De rechtbank leidt hieruit af dat eiser voorafgaand aan de uitvaardiging van het terugkeerbesluit niet met verweerder heeft willen spreken over eventuele relevante aspecten van zijn in beroep gestelde familie- en privéleven. Dit betekent dat verweerder bij de uitvaardiging van het terugkeerbesluit hier geen rekening mee heeft kunnen houden. De beroepsgrond dat verweerder geen belangenafweging heeft gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM en geen ‘fair balance’ heeft getroffen, slaagt om die reden niet.
4.1.
Eiser stelt dat verweerder in het onderhavige geval onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Verweerder had eiser geen vertrektermijn mogen onthouden.
4.2.
Anders dan eiser stelt, heeft verweerder aan de onthouding van een vertrektermijn niet ten grondslag gelegd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Verweerder heeft op basis van verschillende gronden geoordeeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft de feitelijke juistheid van deze gronden niet weersproken. Dit betekent dat verweerder in redelijkheid een vertrektermijn heeft kunnen onthouden aan eiser.
5. Eiser heeft zijn grond dat hij niet kan terugkeren naar Algerije of Marokko, nu beide landen weigeren hem op te vangen niet aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt om die reden niet.
Inreisverbod
6.1.
Anders dan eiser stelt, was verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet gehouden om aan eiser een inreisverbod uit te vaardigen, aangezien eiser bij het uitgevaardigde terugkeerbesluit een vertrektermijn is onthouden. Dit is slechts anders indien humanitaire of andere omstandigheden zoals omschreven in artikel 66a, achtste lid, van de Vreemdelingenwet aanleiding geven om hiervan af te zien.
6.2.
Zoals eerder overwogen heeft eiser tijdens het gehoor niets gezegd over zijn in beroep gestelde familie en vrienden in Nederland. Ook heeft eiser niet besproken dat hij hier al 17 jaar verblijft. Dat dit onbesproken is gebleven, komt voor rekening en risico van eiser omdat hij zelf niet wilde praten. Bovendien heeft eiser zijn stellingen op dit vlak niet aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat verweerder het inreisverbod mocht uitvaardigen.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 november 2022, zaaknummer C-69/21.
Zie de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6526.
Op grond van artikel 62, tweede lid onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.