Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-21
ECLI:NL:RBDHA:2024:23402
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,378 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.40321
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Halbesma).
Procesverloop
Verweerder heeft op 18 september 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 7 oktober 2024 de maatregel van bewaring opgeheven en aansluitend een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de
Vw opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2024 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 oktober 2024 (in de zaak NL24.36987) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Periode schadevergoeding
4. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b te lang heeft voortgeduurd nadat de grondslag hieraan is komen te ontvallen. Eiser heeft, blijkens een in het dossier opgenomen faxbericht van [de persoon] , al op 2 oktober 2024 te kennen gegeven zijn asielaanvraag in te willen trekken. Dit betekent volgens eiser dat verweerder eerder dan op 7 oktober 2024 een maatregel op een andere grondslag had moeten opleggen. De maatregel op grond waarvan eiser nu in bewaring wordt gehouden is echter pas op 7 oktober 2024 opgelegd.
5. Ter zitting heeft verweerder aangegeven bereid te zijn aan eiser schadevergoeding aan te bieden voor de periode van 2 oktober 2024 tot en met 7 oktober 2024 van € 100.-- per dag, een bedrag van in totaal € 500,--. De rechtbank stelt daarom vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser recht heeft op schadevergoeding voor de duur van vijf dagen.
Bedrag aan schadevergoeding
6. Eiser stelt zich naar aanleiding van het arrest [naam] van het Hof van Justitie EU (het Hof) en de daarbij behorende Conclusie van de Advocaat-Generaal op het standpunt dat per dag vrijheidsontneming op de verkeerde grondslag een hoger bedrag aan schadevergoeding moet worden toegekend. Eiser verwijst hierbij ook naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 11 oktober 2024. Eiser meent dat hieruit kan worden afgeleid dat het Hof van oordeel is dat de forfaitaire schadevergoeding van € 100,-- per dag onvoldoende is als schadeloosstelling voor personen die ten onrechte in bewaring zijn gehouden, teneinde de schade te vergoeden die zij als gevolg van de onrechtmatige vrijheidsontneming hebben geleden. Eiser meent daarom aanspraak te kunnen maken op een bedrag dat hoger is dan € 100,-- per dag zoals het in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond toegekende bedrag van € 250,-- per dag.
7. In rechtsoverweging 59 van het arrest [naam] is het volgende geoordeeld:
“Wat ten tweede het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht op effectieve rechterlijke bescherming betreft, moet worden opgemerkt dat, zoals de Nederlandse regering ter terechtzitting heeft bevestigd, de verwijzende rechter de staatssecretaris kan gelasten een hoger bedrag aan schadevergoeding te betalen dan laatstgenoemde in casu concreet heeft voorgesteld. De omstandigheid dat de staatssecretaris een bedrag van 100 EUR heeft voorgesteld als vergoeding voor de door [eiser] geleden schade wegens het feit dat de in het nationale recht gestelde termijn voor invrijheidstelling met 24 uur was overschreden, lijkt op zich dus niet voldoende om aan te tonen dat dit recht in de omstandigheden van de onderhavige zaak is geschonden.”
8. In overweging 74 van de Conclusie van de Advocaat-Generaal staat het volgende:
“In casu heeft de Nederlandse regering bevestigd dat de betrokkene in het kader van de procedure waarin de rechter zich uitspreekt over de rechtmatigheid van de bewaring, maar ook nadat de bewaringsmaatregel reeds is beëindigd, schadevergoeding kan vorderen, en dat de rechter de staatssecretaris kan gelasten een bedrag aan schadevergoeding te betalen dat, in voorkomend geval, hoger is dan de forfaitaire vergoeding die door de administratieve autoriteiten wordt aangeboden. Een dergelijk stelsel lijkt mij niet alleen geschikt om eventuele onrechtmatigheden ten gevolge van een gebrek aan voortvarendheid bij de tenuitvoerlegging van een bewaringsmaatregel te verhelpen, maar ook als stok achter de deur jegens de administratieve autoriteiten.”
9. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de hiervoor weergegeven passages enkel worden afgeleid dat de mogelijkheid dat in een geval als hier door de rechtbank een bedrag aan schadevergoeding hoger dan een forfaitaire vergoeding kan worden toegekend, betekent dat sprake is van voldoende effectieve rechterlijke bescherming. Met andere woorden een systeem waarin er sprake is van een forfaitaire vergoeding in combinatie met de mogelijkheid dat er door de rechtbank een hoger bedrag kan worden toegekend is voldoende. In tegenstelling tot wat eiser leest in de uitspraak van het Hof, ziet de rechtbank in de uitspraak dus geen aanleiding voor het oordeel dat de forfaitaire vergoeding per definitie te laag is.
10. De vraag die vervolgens voorligt is of sprake is van een dermate ernstige schending dat eiser om die reden recht heeft op een hogere schadevergoeding dan het forfaitaire bedrag van € 100,-- per dag. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) levert de relatief korte periode dat eiser zonder wettelijke grondslag (of zoals in dit geval op een onjuiste grondslag) is vastgehouden op zichzelf geen ernstige schending op. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2023. In die zaak leidde een periode van negen dagen onrechtmatige bewaring niet tot het oordeel dat sprake was van een ernstige schending. De rechtbank ziet in het geval van eiser geen aanleiding voor een ander oordeel.
11. Gelet op het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt is de rechtbank van oordeel dat de vrijheidsontneming van eiser gedurende vijf dagen onrechtmatig is geweest. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond. Op grond van artikel 106 van de Vw kent de rechtbank aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toe. De rechtbank zal een schadevergoeding toekennen voor vijf dagen onrechtmatige vrijheidsontneming van 5 x € 100,-- (verblijf detentiecentrum) = € 500,--.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500,--, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Broek, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
[eiser] tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C ‑387/24 PPU, ECLI:EU: C :2024:868
ECLI:EU: C :2024:703
ECLI:NL:RBDHA:2024:16568
ECLI:NL:RVS:2023:3508