Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:23400
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,043 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.31747
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1970, van Syrische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E. de Jong).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 augustus 2024 de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3
Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 16 oktober 2024. Omdat er toen geen tolk beschikbaar was, is het onderzoek geschorst. Het beroep is vervolgens behandeld op de zitting van 8 november 2024. Eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig T. Cetinkaya, tolk in de taal Koerdisch (Kurmançî).
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiser heeft het volgende relaas aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard tot 2014 in Kobani in Syrië te hebben gewoond, totdat deze stad werd overgenomen door IS. Eiser is toen - via Turkije - naar de Syrische stad Homs vertrokken, waar eiser heeft gewoond tot aan zijn vertrek naar Nederland. In Homs hebben zowel de politieke en militaire veiligheidsdiensten van het regime, als milities van Hezbollah, invallen in eisers huis gedaan omdat zij wilden controleren of eiser wapens in huis had. Eiser verwacht bij terugkeer naar Syrië problemen vanwege zijn Koerdische afkomst en omdat hij naar Nederland is gegaan.
Het bestreden besluit
5. Het relaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Eisers problemen in verband met zijn Koerdische etniciteit.
5.1
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het eerste element geloofwaardig is, maar het tweede niet. Eiser heeft allereerst geen documenten overgelegd om zijn asielrelaas te onderbouwen. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de invallen in zijn huis.
Ten aanzien van het referentiekader en de geloofwaardigheid
6. Het betoog van eiser komt erop neer dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Hiertoe voert eiser aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. Eiser heeft de middelbare school niet afgerond, is een ‘blue collar worker’ en heeft daarom moeite met het onthouden van data. Voorts betwist eiser de juistheid van het MediFirst advies, omdat het advies een standaardbewoording bevat en niet op eiser lijkt te zijn toegespitst. Aangezien het medisch advies van 21 mei 2024 pas is uitgebracht nadat het nader gehoor op 28 maart 2024 heeft plaatsgevonden, kan het gehoor niet als grondslag dienen voor de beoordeling van eisers aanvraag. Verweerder dient eiser daarom opnieuw te horen.
6.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat voldoende is doorgevraagd en voldoende rekening is gehouden met het medisch advies. Uit het medisch advies zijn geen beperkingen voor het horen gebleken, enkel is opgemerkt dat eiser moeite heeft met het onthouden van exacte data. Verweerder heeft dit dan ook niet aan eiser tegengeworpen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om, indien zij tot de conclusie komt dat sprake is van een gebrek, het gebrek op grond van artikel 6:22 Awb te passeren.
6.2
De rechtbank stelt vast dat de belangrijkste tegenwerping aan eisers kant is dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de tijdspanne tussen de invallen. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat de veiligheidsdiensten van het regime in totaal drie keer een inval hebben gedaan, en dat Hezbollah een enkele keer een inval heeft gedaan. Volgens eiser zat er steeds ongeveer zes à zeven maanden tussen de invallen. Verweerder heeft dit tegenstrijdig geacht met eisers verklaringen dat de eerste inval plaatsvond circa drie maanden na 22 september 2014 en dat de laatste inval plaatsvond in de eerste maanden van 2022. Hier zit ruim zeven jaar tussen. De rechtbank constateert dat eiser hier niet voldoende op is doorgevraagd, terwijl de antwoorden van eiser hier wel degelijk aanleiding toe gaven. Eiser verklaart immers dat er meer tijd tussen de invallen zat vanwege de verhuizingen. Eiser heeft op de zitting benadrukt dat hij het moeilijk vindt om data te benoemen en dat hij niet precies weet hoe vaak en wanneer de invallen hebben plaatsgevonden. Het had daarom op de weg van verweerder gelegen om eiser uitvoeriger te bevragen over de (tijdspanne tussen de) invallen. De rechtbank acht het onzorgvuldig dat verweerder dit niet heeft gedaan.
6.3
De rechtbank acht hierbij ook relevant dat het medisch advies pas na het gehoor is uitgebracht. Weliswaar zijn er in het advies geen beperkingen voor het horen geconstateerd, wel is opgemerkt dat eiser moeite heeft met het onthouden van data omtrent zijn asielrelaas. De rechtbank merkt nogmaals op dat tijdsbenadering de belangrijkste tegenwerping vormt in deze zaak. Verweerder heeft in het bestreden besluit en op de zitting toegelicht dat in Syrische zaken niet standaard een medisch advies wordt opgevraagd voorafgaand het nader gehoor, en dat dit een interne werkafspraak betreft uit efficiency overwegingen. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting aangegeven, wat door verweerder niet is betwist, dat deze werkwijze samen lijkt te hangen met de omstandigheid dat Syrische aanvragen meestal worden ingewilligd. Er heeft daarom ook geen uitgebreid gehoor plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat, nu eiser zijn aanvraag wél is afgewezen, deze gang van zaken in eisers geval heeft geleid tot een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming.
6.4
Dit betekent dat eisers beroepsgronden op dit onderdeel slagen. De rechtbank draagt verweerder op om eiser opnieuw te horen en een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten. Hierbij dient verweerder kenbaar rekening te houden met het referentiekader van eiser en met het feit dat eiser moeite heeft met het onthouden van data.
Ten aanzien van de risico’s bij terugkeer
7. Eiser voert aan dat het bestreden besluit ook voor wat betreft het risico op terugkeer onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd is. Volgens eiser heeft verweerder bij haar beoordeling geen rekening gehouden met hetgeen door eiser is aangevoerd en de algemene situatie in Syrië. Uit de inhoud van het Algemene Ambtsbericht over Syrië van augustus 2023 en het EASO rapport van juni 2021 blijkt dat Nederland door Syrië als vijandig land wordt gezien en dat een asielzoeker bij terugkeer in een verhoogd veiligheidsrisico loopt en te maken krijgt met mensenrechtenschendingen‚ zoals detentie, marteling en verdwijning. Bovendien heeft verweerder het beleid voor terugkeerders niet goed toegepast in eisers geval.
7.1
De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van het algemene beleid bij vreemdelingen afkomstig uit Syrië aanneemt dat zij bij of na terugkeer naar Syrië vanuit het buitenland een reëel risico lopen op ernstige schade. Op grond van dit beleid komt daarom in beginsel iedere vreemdeling uit Syrië die in Nederland asiel aanvraagt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw. Op grond van paragraaf C7/33 van de Vc kan verweerder echter van dit algemene uitgangspunt afwijken als de vreemdeling een actieve aanhanger is van het regime, of als uit de individuele feiten en omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling bij of na terugkeer naar Syrië geen risico (meer) loopt op ernstige schade. Hiervan is in het bijzonder sprake als de betrokkene na een eerder vertrek uit Syrië is teruggereisd naar Syrië.
7.2
Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser in het verleden problemen met de Syrische autoriteiten heeft ondervonden, of in de toekomst zal ondervinden. De rechtbank merkt allereerst op dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de geloofwaardigheid, niet vaststaat dat eiser probleemloos in Syrië heeft verbleven. De rechtbank heeft verweerder opgedragen dit opnieuw te beoordelen.
Conclusie
8. Concluderend oordeelt de rechtbank dat verweerder, gelet op het voorgaande, het bestreden besluit op onvoldoende zorgvuldige wijze heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank acht daarbij het zogenoemde 8+8-wekenmodel passend en stelt daarom voor het nieuw te nemen besluit een termijn van zestien weken.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- bij een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750 ,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Algemene wet bestuursrecht.
Pagina 7 van het verslag nader gehoor.
Pagina’s 84 en 90.
European Union Agency for Asylum, ‘Syria: Situation of returnees from abroad’, pagina 27.
Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Verordening (EU) 2016/399.
ECLI:NL:RVS:2024:4014 r.o. 3. 1.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Onder verwijzing naar pagina 90 van het Ambtsbericht.
ECLI:NL:RVS:2024:3175, r.o. 4.5.
Pagina 3 en 4 van IB 2024/13.
Beoordeling
Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat de Syrische autoriteiten niet uit het paspoort kunnen achterhalen dat eiser in Nederland heeft verbleven. Eiser is illegaal Europa ingereisd en zonder visum naar Nederland gereisd. De rechtbank heeft op de zitting aan verweerder gevraagd hoe het dan zit met uitreisstempels, waarop verweerder heeft gewezen op artikel 11, derde lid, van de Schengengrenscode. Hieruit blijkt dat bij wijze van uitzondering kan worden afgezien van een in- of uitreisstempel wanneer de afstempeling voor die persoon tot ernstige moeilijkheden zou kunnen leiden. In deze gevallen wordt de in- of uitreis op een afzonderlijk blad geregistreerd met vermelding van de naam en het paspoortnummer van die persoon. Dat blad wordt de persoon ter hand gesteld.
7.3
De rechtbank is van oordeel dat, los van het feit dat verweerder in het bestreden besluit niet op deze mogelijkheid heeft gewezen, hetgeen op zichzelf al een motiveringsgebrek oplevert, artikel 11, derde lid, van de Schengengrenscode geen zekerheid biedt dat dit in het geval van eiser ook daadwerkelijk mogelijk is. De algemene verwijzing van verweerder ter zitting naar de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2024 kan verweerder daarbij niet baten nu eiser heeft gesteld dat, ook al zou hij een geslaagd beroep kunnen doen op artikel 11, derde lid, van de Schengengrenscode, hij vanwege andere feiten en omstandigheden, zoals zijn reisroute, vluchtgegevens en Koerdische afkomst, een risico loopt op ernstige schade. De rechtbank acht de verwijzing naar de Schengengrenscode van verweerder daarom ontoereikend en in strijd met het beginsel van een daadkrachtige motivering. Dat geldt ook voor de opmerking van verweerder in het bestreden besluit dat veel terugkeerders hun eerdere verblijf en procedures in het Westen geheim houden. Het staat immers allerminst vast dat het deze terugkeerders ook is gelukt om hun eerdere verblijf in het Westen geheim te houden. Het gaat hier om anonieme bronnen zodat deze informatie niet kan worden geverifieerd.
7.4
Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting bevestigd dat het eerdere verblijf in Turkije en de eerdere terugkeer naar Syrië aan eiser worden tegengeworpen op basis van het externe informatiebericht 2024/13 (IB 2024/13). Eiser heeft verklaard dat, nadat Kobani in 2014 door IS werd aangevallen, er geen andere mogelijkheid was dan illegaal Turkije in te reizen. Eiser is dezelfde dag weer teruggekeerd naar Syrië.
7.5
De rechtbank stelt vast dat eiser in dit verband heeft aangevoerd dat hij Syrië gedwongen moest verlaten, niet in Turkije heeft verbleven en enkel sprake was van een doorreis. Eiser stelt zich daarom primair op het standpunt dat in zijn geval geen sprake is van verblijf in het buitenland en secundair dat, indien hier wel sprake van is, verweerder niet deugdelijk alle omstandigheden van het verblijf in Turkije heeft betrokken.
7.6
De rechtbank volgt eiser hierin. Vooropgesteld heeft eiser terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2024, waarin de Afdeling overweegt dat, ook al zou een vreemdeling na zijn terugkeer naar Syrië geen substantiële problemen hebben ondervonden, door het onduidelijke algemene beeld van de veiligheidssituatie in Syrië en de willekeurige opstelling van de Syrische autoriteiten, dat niet zonder meer betekent dat de vreemdeling bij een terugkeer naar Syrië niet alsnog problemen zal ondervinden. Daarnaast blijft de beoordeling van het risico op ernstige schade op grond van IB 2024/13 in het geval van eerdere terugkeer een individuele toetsing, waarbij verweerder een aantal relevante aandachtspunten in acht dient te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder onvoldoende ingegaan op deze aandachtspunten.
7.7
Het bestreden besluit is ook op dit punt onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Verweerder zal, met inachtneming van deze uitspraak, nader moeten motiveren waarom er in het geval van eiser sprake is van geen risico op ernstige schade bij terugkeer. De beroepsgrond slaagt.