Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:23398
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,186 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4608
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Fazli).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor studiefinanciering.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 maart 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 16 november 2023 een aanvraag studiefinanciering ingediend voor de periode september 2023 tot en met december 2024. Verweerder heeft zowel de basisbeurs als de reisvoorziening niet toegekend, omdat eiser niet staat ingeschreven voor een opleiding die recht geeft op studiefinanciering. Eiser staat namelijk vanaf 1 september 2023 ingeschreven als deeltijd student. Als deeltijdstudent bestaat geen recht op studiefinanciering, aldus verweerder.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser vindt dat zijn deeltijdstudie Rechtsgeleerdheid aan de Erasmus Universiteit Rotterdam niet voldoende onderscheidend is ten opzichte van de voltijdvariant. Hij vindt daarom dat hij als voltijdstudent moet worden beschouwd, omdat hij aan de voorwaarden voldoet. Allereerst zijn er gelijkenissen tussen de voltijd- en deeltijdvariant. Daarnaast blijkt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) van 14 april 2018 dat bij een inschrijving van 60 studiepunten in een studiejaar sprake is van een voltijdse studie. Eiser kan voor zijn deeltijdstudie een maximaal aantal studiepunten van 60 in het eerste jaar behalen. Hij zou in theorie de deeltijdstudie rechtsgeleerdheid binnen precies hetzelfde tijdsbestek kunnen afronden als voltijdstudenten. Gelet hierop is de bewering dat deeltijdstudies geen volle dagen in beslag hoeven te nemen en daardoor per definitie een lagere studielast hebben niet juist. Materieel gaat het in dit geval dus om een voltijdstudie. Het enkele feit dat de universiteit de studie als deeltijdstudie betitelt zou daarin geen verandering moeten brengen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar de bacheloropleiding geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, waarbij wel maar 30 studiepunten kunnen worden behaald in het eerste jaar en ook maar de helft van het collegegeld is verschuldigd. Ook volgt volgens eiser nergens uit de wet (zowel de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) als de Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)) dat deeltijdstudenten niet in aanmerking komen voor studiefinanciering.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de aanvraag van eiser om studiefinanciering voor de periode september 2023 tot en met december 2024 heeft afgewezen. Zij zal dit oordeel hierna uitleggen.
4.1.
Uit artikel 2.8, eerste lid, van de Wsf 2000 volgt dat een ho-student in aanmerking kan komen voor studiefinanciering als hij is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een universiteit of hogeschool. In artikel 1.1 van de Wsf 2000 staat dat een voltijdse opleiding een opleiding in de zin van de WHW is, met uitzondering van deeltijds onderwijs.
4.2.
Gelet hierop en gezien ook hetgeen hierover staat vermeld in de Memorie van Toelichting is het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest dat uitsluitend voor voltijd opleidingen recht op studiefinanciering bestaat. Het gaat de wetgever erom dat de studerende, wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd voor het grootste deel in beslag wordt genomen door studie, de mogelijkheid moet worden geboden via studiefinanciering een inkomen te verwerven ter bestrijding van de kosten van levensonderhoud. Dit zal het geval zijn bij opleidingen die volle dagen in beslag nemen.
4.3.
De stelling van eiser dat hij als voltijdstudent moet worden beschouwd dan wel dat de deeltijdstudie materieel gezien gelijk staat aan de voltijd studie rechtsgeleerdheid doet hier niet aan af. Verweerder moet uitgaan van de inschrijving van de student bij de onderwijsinstelling. Eiser heeft zich ingeschreven als deeltijdstudent. Hij heeft deze keuze welbewust gemaakt gelet op zijn wens om de studie naar eigen inzicht met de daarbij behorende vrijheid in te richten. Er is dus geen sprake van een verkeerde inschrijving. Hoewel eiser feitelijk (deels) hetzelfde doet als een voltijdstudent en het hem is gelukt om 60 studiepunten in het eerste jaar te halen, maakt dit niet dat verweerder niet van de inschrijving mocht uitgaan. Dit neemt namelijk niet weg dat eiser niet als voltijdstudent staat ingeschreven, maar als deeltijdstudent. Daarbij weegt voor de rechtbank mee dat het in het geval van eiser niet zo is dat een deeltijdstudie de enige mogelijkheid is voor hem om zijn rechtenstudie te volgen. Hij had zich ook als voltijdstudent kunnen inschrijven. Het is verder aan eiser om hierover contact op te nemen met de onderwijsinstelling mocht hij vinden dat zijn deeltijdstudie als voltijdstudie moet worden aangemerkt dan wel dat hij verkeerd is ingeschreven. Voor zover eiser zich beroept op overweging 3.1 van de door hem aangehaalde uitspraak van de CRvB, slaagt dit betoog reeds niet omdat die overweging – zoals verweerder terecht heeft opgemerkt – geen rechterlijk oordeel betreft maar een samenvatting van een standpunt van de eisende partij in die zaak.
4.4.
Ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Zo staat eiser ingeschreven als deeltijdstudent en maakt hij een vergelijking met studenten die staan ingeschreven voor een voltijdse opleiding. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen. Weliswaar zijn er gelijkenissen tussen de voltijd opleiding en de deeltijdopleiding (zoals het collegegeld, de te volgen vakken en af te leggen tentamens), maar zoals op zitting met partijen is besproken zijn er ook verschillen, bijvoorbeeld op het punt van de lestijden, de verplichte aanwezigheid en het minimale aantal studiepunten dat in het eerste jaar moet worden behaald.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2018:428.
Opgenomen in de bijlage van de WHW of aan een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 WHW.
Kamerstukken II 1984/85, 19 125, nr. 3, p. 8.