Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:23394
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,880 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7402
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. [naam 1] en mr. [naam 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag over het jaar 2022 en de daarop gebaseerde terugvorderingen.
1.1.
Bij afzonderlijke besluiten van 7 juli 2023 en 4 augustus 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder de zorg- en huurtoeslag van eiser over het jaar 2022 definitief berekend op nihil en bepaald dat de teveel betaalde voorschotten zorg- en huurtoeslag worden teruggevorderd.
1.2.
Met het bestreden besluit van 10 november 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Met dagtekening van 28 december 2021 is aan eiser voor het jaar 2022 een voorschot zorgtoeslag toegekend van € 1.336 en huurtoeslag van € 3.725. Bij het vaststellen van deze voorschotten is verweerder uitgegaan van een jaarinkomen over 2022 van € 9.950.
2.1.
Vervolgens heeft eiser op 21 april 2022 aangegeven dat zijn jaarinkomen wijzigt naar € 22.859. Deze wijziging heeft geleid tot een herziene voorschotbeschikking voor het jaar 2022 met dagtekening van 24 mei 2022, waarin het voorschot zorgtoeslag is gewijzigd naar € 1.267 en het voorschot huurtoeslag naar € 2.048.
2.2.
Op 14 december 2022 heeft eiser opnieuw een inkomenswijziging doorgegeven. Hij heeft een geschat jaarinkomen opgegeven van € 26.233. Deze wijziging heeft geleid tot een herziene voorschotbeschikking voor het jaar 2022 met dagtekening van 4 februari 2023, waarin het voorschot zorgtoeslag is gewijzigd naar € 808 en het voorschot huurtoeslag naar € 965. Hierdoor ontstond een terugvordering zorgtoeslag van € 459 en huurtoeslag van € 1.084.
2.3.
Met de afzonderlijke primaire besluiten heeft verweerder zowel de zorg- als de huurtoeslag definitief berekend op € 0. Dit gelet op het definitief geregistreerde inkomen van € 34.652, dat verweerder heeft doorgekregen van de Basisregistratie Inkomen (BRI). Naast de eerder genoemde terugvordering ontstond een terugvordering zorgtoeslag van € 808 en huurtoeslag van € 965. De totale terugvorderingen bedraagt € 3.316.
2.4.
Met het bestreden besluit is verweerder bij het besluit gebleven dat de definitieve berekening voor zowel de zorg- als huurtoeslag over 2022, € 0 blijft.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser vindt dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Allereerst is in de primaire besluiten geen rechtsmiddelenclausule opgenomen. Verder is het onduidelijk voor eiser of hij de huurtoeslag moet terugbetalen of niet. Nergens staat vermeld waarom verweerder heeft overwogen om een bedrag van € 1.774, wat later € 3.317 blijkt te zijn, terug te vorderen. Ook is niet benoemd waarom geen gebruik is gemaakt van artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Dit maakt dat tevens in strijd is gehandeld met het evenredigheidsbeginsel. Het besluit heeft meer nadelige effecten dan het doel van de wet, omdat eiser alleen in december 2022 meer heeft verdiend. Hij kon niet weten dat hij meer zou verdienen in 2022, omdat hij een vaste baan had. Zonder de toeslagen had hij de eerste elf maanden van 2022, moeilijk dan wel niet kunnen rondkomen, waardoor hij deze toeslagen nodig had. Er bestaat dus aanleiding om de terugvordering te matigen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Het recht op zorg- en huurtoeslag en de hoogte daarvan is afhankelijk van de draagkracht van eiser. Verweerder dient bij de bepaling van de draagkracht uit te gaan van het inkomensgegeven van eiser zoals dat door de inspecteur van de inkomstenbelasting (inspecteur) is vastgelegd in de BRI. Van dit inkomensgegeven kan verweerder bij het berekenen van toeslagen niet afwijken. Het is een bewuste keuze van de wetgever geweest om uit te gaan van het jaarinkomen en er is geen ruimte om de draagkracht per maand te berekenen. Verweerder heeft dan ook niet de bevoegdheid om bij de berekening van toeslagen rekening te houden met een eventueel afwijkende maand, zoals eiser stelt voor de maand december. Verweerder is dus terecht uitgegaan van het in de BRI geregistreerde inkomen. Op basis van dat inkomen heeft eiser geen recht op zorg- en huurtoeslag.
4.1.
Het systeem van de Awir houdt in dat tijdens het kalenderjaar waarin de kosten worden gemaakt, de toeslag die daarvoor is bestemd bij wijze van voorschot wordt verstrekt. Het is zo veel mogelijk de bedoeling dat er een voorschot wordt verleend tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld. In eerste instantie moet de aanvrager zelf bepalen of hij voldoet aan de gestelde voorwaarden. Daarnaast wordt de aanvrager ook gevraagd om een schatting te maken van zijn inkomen en om relevante wijzigingen door te geven. Het voorschot kan ook worden herzien. De hoogte van het inkomen wordt na afloop van het berekeningsjaar vastgesteld door de inspecteur. De tegemoetkoming wordt daarom pas na afloop van het berekeningsjaar definitief vastgesteld.
4.2.
Hoewel eiser verschillende wijzigingen heeft doorgegeven doet dit er niet aan af dat bij de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag is gebleken dat zijn toetsingsinkomen hoger was, waardoor eiser de teveel ontvangen toeslagen moet terugbetalen.
4.3.
Het uitgangspunt is dat verweerder het volledige bedrag terugvordert. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen zich verzetten tegen gehele terugvordering. Als bij de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden gehele terugvordering onevenredig is, kan verweerder afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering matigen.
In het Verzamelbesluit Toeslagen zijn voorbeelden van bijzondere omstandigheden opgenomen. Daarbij is uitdrukkelijk vermeld dat van bijzondere omstandigheden geen sprake is als de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijk over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Uitgangspunt is dat dit op zichzelf niet tot een matiging van de terugvordering leidt. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval kan er bij de aanwezigheid van aanvullende omstandigheden die - op zichzelf of in samenhang - wel zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden, na een belangenafweging toch reden zijn de terugvordering te matigen.
4.4.
De stelling van eiser dat hij de toeslagen hard nodig had om rond te komen de eerste maanden treft geen doel, omdat de verstrekking van toeslagen niet strekt tot het waarborgen van het bestaansminimum. Daarnaast wordt zoals eerder aangegeven gekeken naar het jaarinkomen zoals vastgesteld in de BRI en is het niet mogelijk om de draagkracht per maand te berekenen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot afzien van terugvordering dan wel het matigen van de terugvordering. Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiser onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De stelling van eiser dat er meer rekening moet worden gehouden met de veranderde maatschappelijke opvattingen naar aanleiding van de toeslagenaffaire, waarbij hij zich beroept op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), gaat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet op, omdat niet is gebleken dat in eisers situatie sprake is van een zeer onbillijke uitkomst dan wel een schrijnend geval. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt gelet op het voorgaande dan ook niet.
4.5.
Daarnaast is de rechtbank met verweerder van oordeel dat geen sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het is de rechtbank niet gebleken dat geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen in de primaire besluiten. Ook het motiveringsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden. Verweerder heeft zowel de primaire besluiten als het bestreden besluit voldoende duidelijk gemotiveerd.
4.6.
Verweerder heeft gelet op het voorgaande de onverschuldigd uitbetaalde voorschotten in zijn geheel bij eiser mogen terugvorderen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 7, eerste en tweede lid, in verbinding met artikel 8, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Awir.
Artikel 21, eerste lid, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3484.
Artikel 16 van de Awir.
Artikel 19 van de Awir.
Artikel 26, tweede lid, van de Awir.
Het Verzamelbesluit Toeslagen.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3474.
De uitspraak van de CRvB van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.