Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:23389
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,803 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1012
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] (Groot-Brittannië), eiser
(gemachtigde: mr. A. Frederiksen),
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. [naam] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder om een schuld van eiser over te nemen.
1.1.
Met het primaire besluit van 11 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd de schuld van eiser over te nemen. Met het bestreden besluit van 2 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (met behulp van een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser, J.E. van Hynd als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is door verweerder aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor overname van hun private geldschulden of compensatie van de afgeloste private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het overnemen dan wel compenseren van de (afgeloste) private geldschulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).
2.1.
Eiser heeft verzocht om overname van zijn private schuld bij PRA Group Deutschland GmbH (PRA). Deze schuld bestaat uit twee persoonlijke leningen (kredietovereenkomsten) die eiser heeft afgesloten bij Barclays, maar later zijn overgenomen door PRA. Het gaat om een lening (met kenmerk: [kenmerk 1] ) van £ 1.295,70 afgesloten bij Barclays op 16 augustus 2016, die op 5 december 2018 is overgekocht en voortgezet door PRA. En een lening (met kenmerk: [kenmerk 2] ) van £ 16.391,43 afgesloten bij Barclays op 16 januari 2017, die op 20 april 2021 is overgekocht en voortgezet door PRA.
2.2.
De Dienst Toeslagen heeft met het primaire besluit bepaald dat de schuld nog niet wordt overgenomen, omdat de schuldeiser nog niet (volledig) heeft gereageerd.
2.3.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hij stelt dat de schuld van eiser niet voor overname in aanmerking komt. De schuld bij PRA voldoet volgens verweerder niet aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, onderdeel b, in combinatie met artikel 4.1, vierde lid, onderdeel b, van de Wht. Eiser is het hier niet mee eens.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betoogt dat de vorderingen al opeisbaar waren (ver) vóór 1 juni 2021. Uit de brief van Barclays blijkt dat de schuld al opeisbaar was vóór de overname door PRA en dus vóór 1 juni 2021. De opeisbare vordering is vervolgens slechts overgedragen aan PRA. Door deze rechtshandeling was geen sprake van het ontstaan van een nieuwe vordering of wijziging van de vordering. De cessionaris treedt alleen in de rechten en plichten van de cedent. Daarom blijft de vordering na de cessie aan PRA opeisbaar. Verweerder stelt zich dan ook onterecht op het standpunt dat het onmogelijk is dat de vordering vóór 1 juni 2021 opeisbaar was, omdat de lening op 20 april 2021 werd opgekocht door PRA.
3.1.
Voor het voldoen aan de definitie ‘opeisbaar’ is het niet vereist dat de vordering daadwerkelijk wordt opgeëist of dat de rente wordt gerekend. Het gaat erom dat de vordering kon worden opgeëist. Dit was mogelijk na het verstrijken van de termijn in de ingebrekestelling, te weten 5 december 2017. Verweerder zou de stelling van eiser, namelijk dat de schuld is overgenomen in de hoedanigheid van opgeëiste schuld kunnen verifiëren bij de schuldeiser. Gelet op het opeisbaarheidsbegrip doet eiser een beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Tot slot beroept eiser zich op de hardheidsclausule.
Wat zijn de regels?
4. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:
- is ontstaan na 31 december 2005 (sub a);
- vóór 1 juni 20213 opeisbaar is geworden (sub b); en
- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (sub c).
4.1.
Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn de resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de schuld bij PRA terecht niet heeft overgenomen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. De rechtbank zal dit oordeel hierna uitleggen.
5.1.
De schuld bij PRA bestaat uit twee persoonlijke leningen (kredietovereenkomsten). Uit het bestreden besluit blijkt dat SBN in de periode van 1 november 2022 tot en met 11 augustus 2023 meermaals informatie heeft opgevraagd bij eiser en PRA. Uit de door de SBN ontvangen stukken is gebleken dat de leningen binnen de beleidsperiode zijn ontstaan, waardoor deze voldoen aan de wettelijke eis van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht. Eiser heeft de lening met kenmerk [kenmerk 1] afgesloten op 16 augustus 2016 bij Barclays. Deze lening is op 5 december 2018 overgekocht en voortgezet door PRA. De lening met kenmerk [kenmerk 2] is afgesloten op 16 januari 2017. Deze lening is op 20 april 2021 overgekocht en voorgezet door PRA. De schuld was niet voldaan op het tijdstip van de ingediende aanvraag.
5.2.
Eiser heeft geen bewijsstukken aangeleverd waaruit blijkt dat PRA de hoofdsom van de leningen heeft opgeëist. Ook is uit de aanwezige stukken niet gebleken van het bestaan van betalingsachterstanden. Verweerder acht het daarbij van belang dat de lening met kenmerk [kenmerk 2] pas op 20 april 2021 is opgekocht door PRA en het daardoor niet mogelijk is dat deze volledige hoofdsom vervolgens vóór 1 juni 2021 opgeëist is geweest. Immers, voordat er sprake kan zijn van twee achterstallige maandelijkse betaaltermijnen is de referteperiode die tot 1 juni 2021 loopt reeds overschreden.
5.3.
Op basis van de stukken heeft verweerder in het bestreden besluit de afwijzingscode 4 gebruikt, wat inhoudt dat verweerder deze schuld niet betaalt, omdat niet is gebleken dat er betalingsachterstanden bestonden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021.
Uit de brief van 4 mei 2021 volgt dat de overeengekomen betalingsafspraken tot zes maanden na overname blijven gelden. Uit de brief van 7 april 2022 blijkt dat de betalingsafspraken voor een periode van zes maanden ‘on hold’ worden gezet. Ook geeft PRA in de brief van 7 oktober 2021 aan dat samen met eiser – na de ‘on hold’ periode van zes maanden, de betalingsmogelijkheden zullen worden onderzocht. Niet is gebleken dat na de ‘letter of default’ van 7 november 2017 verdere rechtsmaatregelen getroffen zijn die duiden op volledige opeising van de hoofdsom of een gedeelte daarvan. Een enkele ingebrekestelling, zonder dat daarna een daadwerkelijke opeising volgt, is onvoldoende om te concluderen dat de gehele vordering vanaf 7 november 2017 opeisbaar is.
5.4.
Niet is gebleken dat er betalingsachterstanden zijn ontstaan, dat de hoofdsom opeisbaar is geworden of dat er incassomaatregelen zijn getroffen. De stelling van eiser dat de overname door PRA al impliceert dat sprake zou zijn van reeds problematische en bij voorbaat opeisbare schulden, volgt de rechtbank niet.
5.5.
Gelet op het voorgaande is het de rechtbank niet gebleken dat de totale schuld van eiser aan PRA vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Dat er in een eerder stadium een ingebrekestelling is gestuurd doet hier niet aan af. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank daarom terecht op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan artikel 4.1, tweede lid, aanhef onder b, in combinatie met het vierde lid van de Wht.
5.6.
Het vereiste van de opeisbaarheid vloeit voort uit de wet. Dit vereiste is dwingend geformuleerd en daarop zijn geen uitzonderingen geformuleerd. Hoewel het voor eiser wellicht niet eerlijk voelt dat zijn schuld niet wordt betaald, laat dit onverlet dat de regeling voor het betalen van private schulden niet tot doel heeft om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat de regeling voor het overnemen van private schulden bedoeld is om gedupeerde ouders zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de Belastingdienst/Toeslagen.
Artikel 6:142 van het Burgerlijk Wetboek (het BW).
Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 38.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 43 en 45.
Dit betreft de uitspraken met nummers ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:2045.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 162.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 44.