Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:23382
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,214 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6154
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister
(gemachtigde: mr. C.M. Meijer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld wegens het uitblijven van een besluit na de uitspraak van de rechtbank van 7 februari 2024. In die uitspraak staat dat de minister uiterlijk 1 april 2024 een volledig besluit op de aanvraag van eiser moet nemen. Eiser stelt nu beroep in omdat de minister dat volgens hem niet heeft gedaan.
1.1.
De minister heeft op 1 augustus 2024 een verweerschrift ingediend.
1.2.
Eiser heeft op 15 augustus 2024 een schriftelijke reactie op het verweerschrift gegeven en op 7 oktober 2024 aanvullende stukken ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister samen met [naam] .
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend om de minister in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. De minister heeft de gevraagde informatie op
25 oktober 2024 gegeven.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij het onderzoek zal sluiten, tenzij partijen aangeven dat zij op een nadere zitting willen worden gehoord. Partijen hebben niet verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
1.6.
Het beroep is tegelijk behandeld met het beroep van eiser met zaaknummer
SGR 24/6083. In deze zaken wordt apart uitspraak gedaan.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 6 december 2021 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van informatie over hoe de wettelijke aansprakelijkheid is geregeld tussen de overheid en leveranciers van de Covid-19 vaccins die Nederland afneemt of gaat afnemen over de periode 30 december 2020 tot en met 6 december 2021. Tegen het niet tijdig beslissen op het Woo-verzoek heeft eiser drie keer eerder beroep ingesteld. Bij de uitspraken van 24 juni 2022, 6 maart 2023 en 7 februari 2024 heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard en onder oplegging van een dwangsom bepaald dat de minister binnen een bepaalde termijn (volledig) op het Woo-verzoek moet hebben beslist. In de laatste uitspraak is verweerder opgedragen uiterlijk op 1 april 2024 volledig te beslissen op het verzoek op straffe van een dwangsom van €100,- per dag, met een maximum van €15.000,-. Deze dwangsom is op 30 augustus 2024 volgelopen. De minister heeft nog steeds niet volledig op het verzoek beslist. Daarom heeft eiser op 21 juni 2024 nog een keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoek van 6 december 2021.
Wat vindt eiser?
3.1.
Eiser geeft aan dat hij er grote moeite mee zou hebben als de rechtbank toch weer aanleiding ziet om artikel 8:55d, derde lid, van de Awb toe te passen. Volgens hem is daar gelet op de weigerachtige houding van de minister geen reden voor. Eiser wijst erop dat zijn Woo-verzoek dateert van 6 december 2021 en dat de minister eerdere toezeggingen niet is nagekomen. Daarnaast wijst eiser erop dat de minister al informatie over corona uit 2021 openbaar heeft gemaakt. Ook benadrukt eiser het maatschappelijk belang van het openbaren van deze informatie.
3.2.
Eiser vraagt zich af op welke wijze de minister wel kan worden geprikkeld en eventueel worden gedwongen tot het op korte termijn nemen van een volledig besluit op zijn Woo-verzoek. Eiser stelt onder andere dat hij op grond van de Woo geen belang hoeft te stellen, maar de rechtbank toch wil wijzen op het belang van openbaarheid van de informatie waar dit Woo-verzoek op ziet, namelijk informatie over de aansprakelijkheid voor de nadelige gevolgen van de corona vaccinaties. Verder stelt eiser dat met betrekking tot dit Woo-verzoek er helemaal geen sprake is van 27 beroepen niet tijdig beslissen en een verbeurd bedrag van € 190.000,- aan dwangsommen. Eiser vindt het ongepast dat de minister het aantal beroepen niet tijdig beslissen dat hij bij de rechtbank zou hebben ingediend, net als het bedrag aan verbeurde dwangsommen, totaliseert. Voor zover de minister suggereert dat hij misbruik van recht zou maken, betwist eiser dat. De verantwoordelijkheid voor het verbeuren van dwangsommen is enkel en alleen het gevolg van de handelwijze van de minister zelf. Het is dan ook de minister aan te rekenen dat er zoveel publieke middelen gemoeid zijn met de besluitvorming op zijn Woo-verzoek. Eiser maakt alleen gebruik van de wet om belangrijke informatie openbaar te krijgen. Daarnaast stelt eiser dat de minister ten onrechte pleit voor een lagere dwangsom vanuit de redenering dat hij veel heeft gekregen, terwijl het hier niet gaat om schadevergoeding. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 juli 2022.
3.3.
Het is volgens eiser ook niet juist dat de minister alleen nog over de chatberichten moet beslissen. Naast de chatberichten zijn er nog zo’n 2.500 documenten die de minister nog niet feitelijk heeft verstrekt nadat zij in diverse deelbesluiten tot de conclusie is gekomen dat deze deels openbaar gemaakt worden. Ook op een bezwaarschrift dat hij tegen een deelbesluit heeft ingediend heeft de minister ondanks dat zij daar volgens een uitspraak van de rechtbank uiterlijk op 1 juli 2024 had moeten hebben beslist nog steeds niet beslist.
3.4.
Eiser stelt voor de minister dit keer een dwangsom op te leggen die zij in een korte periode in één keer verbeurd. Hij kan zich er in vinden dat de minister binnen een periode van 5 werkdagen een totale dwangsom van € 7.500,- verbeurt. Daarmee geeft de rechtbank een krachtig signaal dat beslistermijn belangrijk is. Deze optie geeft hem dan ook de mogelijkheid, bij het verbeuren van de dwangsom, weer snel een herhaalde procedure te starten bij de rechtbank.
Wat vindt verweerder?
3.5.
De minister betreurt dat op het moment van het instellen van dit beroep wegens het niet tijdig beslissen sprake was van overschrijding van de beslistermijn doordat zij op
1 april 2024 niet volledig op het Woo-verzoek van eiser heeft beslist.
3.6.
De minister brengt naar voren dat zij met meerdere deelbesluiten al heeft beslist op het Woo-verzoek van eiser, maar nog moet beslissen over het al dan niet openbaar maken van de onder het verzoek vallende chatberichten. Zij geeft aan dat de behandeling hiervan meer tijd in beslag neemt dan gewenst. De redenen hiervoor liggen in de omvang van het Woo-verzoek en bijzondere omstandigheden, zoals het omvangrijk aantal verzoeken om openbaarmaking van informatie, de diverse termijnen die zijn opgelegd door rechterlijke instanties, de zeer krappe arbeidsmarkt en het technisch complexe proces van het verzamelen en beoordelen van chatberichten. Dit maakt prioritering op basis van de individuele omstandigheden van de vele Woo-verzoeken - zoals de datum van het verzoek en het aantal beroepen niet tijdig beslissen - onmogelijk. Het proces van verzamelen van de chatberichten is afgerond. Het gaat om ongeveer 13 gesprekken met in totaal 23 pagina’s (exclusief eventuele bijlagen) die onder het verzoek van eiser vallen die beoordeeld moeten worden. Voor het beoordelen is interne afstemming nodig. Ook moet worden beoordeeld of er derde-belanghebbenden zijn die om een zienswijze gevraagd moeten worden. De minister verwacht uiterlijk op 31 december 2024 volledig op het verzoek te beslissen. De minister verzoekt de rechtbank bij het bepalen van de beslistermijn maatwerk toe te passen en haar een langere termijn te stellen dan de door eiser verzochte termijn om volledig op het Woo-verzoek te beslissen. Ook verzoekt zij de rechtbank een dwangsom op te leggen van € 1,- per dag voor een maximumduur van 1 dag op te leggen of een lagere dwangsom per dag dan de gebruikelijke € 100,- per dag vanwege de bijzondere omstandigheden die sneller beslissen in de weg staan. De minister wijst hierbij op de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 27 februari 2024 en de niet gepubliceerde uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 juni 2024. De minister acht het van belang dat in de periode 2021 tot nu eiser 27 beroepen niet tijdig beslissen heeft ingediend en hij over de jaren 2023 en 2024 een bedrag van inmiddels meer dan € 190.000,- heeft ontvangen vanwege de door hem verbeurde dwangsommen. Zij brengt daarbij naar voren dat de dwangsommen worden voldaan uit de algemene middelen en dus door de samenleving moeten worden opgebracht. De minister vindt dat een verdere toekenning van een dwangsom aan eiser hiermee op gespannen voet staat. Het Woo-verzoek ziet niet op een belang of recht van eiser als individu, maar op het algemeen belang om informatie openbaar te maken voor iedereen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4.1.
Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en er twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. Omdat deze rechtbank in eerdere procedures wegens het niet tijdig beslissen van de minister al een uitdrukkelijke termijn heeft gesteld, heeft eiser de minister niet wederom in gebreke hoeven te stellen.
4.2.
Het beroep is gegrond. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister de onder 4.4 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 4.7 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op uiterlijk 31 december 2024 alsnog een volledig besluit op eisers verzoek van 6 december 2021 bekend te maken op straffe van een dwangsom van € 1,-bij overschrijding van die termijn, met een maximum van € 1,-;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
SGR 23/5688, ECLI:NL:RBDHA:2024:5656.
Op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), thans Wet open overheid (Woo).
SGR 22/2635
SGR 22/7089
Zie noot 1
Algemene wet bestuursrecht
ECLI:NL:RBDHA:2022:6662
ECLI:NL:RBAMS:2024:1135
BRE 23/11707 en BRE 23/11760
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3156) r.o. 8
Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8.4, eerste lid, van de Woo.
Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
Zie noot 8