Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-29
ECLI:NL:RBDHA:2024:23334
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,890 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.811
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Beket).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor de afgifte van een visum kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 december 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 18 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Mevrouw [referente] (referente), gemachtigde van eiser en gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1970 in Ethiopië en heeft de Noord-Jemenitische nationaliteit. Hij heeft op 6 april 2023 een aanvraag gedaan voor de afgifte van een visum voor kort verblijf voor het bezoeken van zijn echtgenote (referente).
3.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en er bestaat redelijke twijfel over het voornemen van eiser het Schengengrondgebied te verlaten vóór het verstrijken van het visum.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van verweerder en voert – kort samengevat – het volgende aan. Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf zijn wel voldoende aangetoond. Zo wordt de familieband tussen eiser en referente niet betwist door verweerder. Verder heeft eiser wel voldoende sociale en economische binding met Ethiopië, waardoor er geen twijfel bestaat over zijn voornemen het Schengengrondgebied te verlaten vóór het verstrijken van het visum.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser in deze zaak wel gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, omdat onvoldoende is gebleken van sociale en economische binding met het land van herkomst, hiermee ook het doel van het voorgenomen verblijf – namelijk een bezoek van eiser aan referente en zijn dochter in Nederland – niet is komen te staan. De rechtbank kan dit standpunt niet volgen, nu het eventueel ontbreken van economische en sociale binding met Ethiopië niet automatisch tot gevolg heeft dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond. Dit betreft een cirkelredenering die de rechtbank onbegrijpelijk vindt. Verweerder heeft verder niet gemotiveerd waarom het doel en de omstandigheden van het verblijf van eiser in Nederland niet zijn aangetoond. Daarbij is ook van belang dat verweerder niet twijfelt aan het feit dat eiser in Nederland een echtgenote en dochter heeft. Verweerder heeft dit dan ook ten onrechte aan eiser tegengeworpen.
6.1.
Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit ervan uit is gegaan dat in de door eiser ingevulde vragenlijst is aangegeven dat de broer en zussen van eiser in Egypte verblijven, zodat niet kan worden aangenomen dat eiser voldoende sociale binding heeft met Ethiopië. Dit uitgangspunt is echter onjuist, nu uit de vragenlijst blijkt dat eiser heeft aangegeven dat zijn broer en zussen in Ethiopië verblijven. Dit wordt door verweerder ook niet langer betwist. De rechtbank overweegt dat reeds hierom het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat dit een verkeerd uitgangspunt is geweest, en met Egypte Ethiopië is bedoeld maakt dit niet anders, nu blijft staan dat het bestreden besluit op een verkeerd uitgangspunt is gebaseerd.
6.2.
Voorts is tussen partijen niet in geschil dat eiser diverse stukken heeft overgelegd zoals een bankrekening in Ethiopië, een werkgeversverklaring, een aandeelhoudersverklaring en een eigendomsverklaring van onroerend goed. Ook heeft eiser een afschrift van een afgesloten reisverzekering voor de duur van drie maanden overgelegd en een vliegticket voor de heen- en de terugreis naar Nederland. Gelet op het voorgaande in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser geen zodanige sociale en economische binding heeft met zijn land van herkomst dat tijdige terugkeer is gewaarborgd. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat niet valt in te zien waarom eiser zijn leven in Ethiopië, voor zover dat blijkt uit de overgelegde stukken, zou willen verruilen voor een leven in illegaliteit in Nederland. Uit de door verweerder gegeven motivering kan dat in ieder geval niet worden afgeleid. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat evenmin valt in te zien dat referente hiervoor zou kiezen, nu zij thans haar leven in Nederland goed op orde heeft.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond van eiser die ziet op schending van de hoorplicht behoeft daarom geen bespreking meer. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen waarin de overwegingen van de rechtbank in acht moeten worden genomen. De rechtbank geeft verweerder hier zes weken voor.
8. Verweerder moet de proceskosten van eiser vergoeden. De rechtbank stelt deze kosten voor de rechtsbijstand die door de gemachtigde van eiser is verleend vast op een totaal van € 1.750,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 875,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van €875 met een wegingsfactor 1). Verweerder moet ook het griffierecht vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onder ii van de Visumcode.
Het grondgebied van de lidstaten waarin het Schengenacquis volledig wordt toegepast.
Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b van de Visumcode.
Besluit proceskosten bestuursrecht.