Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:23153
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,335 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31209
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ).
Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Gharbaoui. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 augustus 2024;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.000,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,00.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1986.
2. De vastgestelde schending van artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) maakt de maatregel op zichzelf niet onrechtmatig. Verweerder wijst op de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin verweerder een termijn van zes maanden is gegeven om zijn handelwijze in overeenstemming te brengen met artikel 5.3 van het Vb. Eisers belangen zijn ook niet zodanig geschonden dat de maatregel daarom onrechtmatig moet worden geacht. Met eiser is immers in het gehoor voor de inbewaringstelling besproken, met behulp van een voor hem verstaanbare tolk, op welke gronden hij in bewaring zou worden gesteld en dat hij daartegen kosteloos beroep kan instellen. Aan eiser is ook een advocaat toegekend die namens hem beroep heeft ingesteld.
3. Verder is de rechtbank, in het kader van het door eiser gedane beroep op voortvarend handelen met betrekking tot eiser uitzetting, van oordeel dat verweerder geen nader onderzoek heeft hoeven instellen naar eisers gestelde Franse nationaliteit. Het is eerst aan eiser om deze nationaliteit nader te onderbouwen.
4. De rechtbank is echter wel van oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting met betrekking tot het traject richting Algerije. Weliswaar heeft verweerder aanvankelijk voldoende voortvarend gehandeld met het voeren van een vertrekgesprek op 23 juli 2024 en het intern doorsturen van de laissez passer-aanvraag op 24 juli 2024, maar daarna heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank te lang stilgezeten. De laissez passer-aanvraag zal immers pas op de dag van de zitting,
13 augustus 2024, worden doorgestuurd naar de Algerijnse autoriteiten en ten aanzien van de periode van 25 juli 2024 tot 13 augustus 2024 heeft verweerder desgevraagd verklaard dat daarin geen uitzettingshandelingen zijn verricht.
5. Het beroep is daarom gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van
25 juli 2024 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 augustus 2024.
6. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 20 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 20 x € 100,- (verblijf in het detentiecentrum) = € 2.000,-.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2024 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Uitspraak van 24 juli 2024 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2024:2979.