Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:23028
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,238 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6407
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn asielaanvraag. Op 25 april 2024 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvraag.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1 Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Verzoeker heeft op 12 oktober 2022 zijn asielaanvraag ingediend. Verweerder moet in beginsel uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.2 Verweerder
1. Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Dit staat in artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
heeft deze termijn onder toepassing van de WBV 2022/223 met negen maanden verlengd.4 Verzoeker heeft verweerder op 6 februari 2024, dus na het verstrijken van die termijn, in gebreke gesteld. Echter, is verzoeker te vroeg in beroep gegaan. De termijn van twee weken die in de ingebrekestelling staat was namelijk nog niet voorbij toen verzoeker het beroep indiende. De hoofdregel is dan dat het beroep niet-ontvankelijk is.
4. In dit geval beslist de rechtbank dat het beroep tóch ontvankelijk zou zijn geweest, omdat de termijn van twee weken inmiddels wel is verlopen en verweerder niet binnen die termijn alsnog op de aanvraag heeft beslist.
5. Dit betekent dat, als het beroep niet zou zijn ingetrokken, er sprake zou zijn geweest van een ontvankelijk beroep. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan het beroep van verzoeker in de zin van artikel 8:75a van de Awb.
6. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoeker te vergoeden.
7. Omdat verweerder pas nadat verzoeker in beroep is gegaan een beslissing heeft genomen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Khalloufi, griffier.
3 Staatscourant van 26 september 2022, nr. 25755.
4 Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 juni 2024
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.