Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-21
ECLI:NL:RBDHA:2024:22918
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,344 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.43505
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.A. Madern),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).
Procesverloop
Bij besluit van 6 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mvr. Khokhar. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Indiase nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1996] .
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden niet langer betwist, zoals bevestigd tijdens de zitting. Eiser had de gronden van beroep namelijk ingediend voordat de uitspraak in de zaak NL24.42994 bekend was geworden. Dat betrof het beroep tegen de voorafgaande maatregel van bewaring, die was gestoeld op dezelfde feitelijke gronden. De rechtbank heeft daarover al een oordeel gegeven in de genoemde uitspraak. De rechtbank ziet in deze procedure geen aanleiding daar anders over te oordelen en vindt dat de gronden en de motivering daarvan de maatregel van bewaring kunnen dragen.
Lichter middel
4. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van
een lichter middel. Eiser wil zijn asielprocedure in het asielzoekerscentrum in Ter Apel kunnen afwachten. Hij is momenteel afgekickt van drugsgebruik en zal meewerken aan uitzetting nadat zijn asielaanvraag wordt afgewezen.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel van bewaring en de motivering daarvan blijkt dat er sprake is van een risico op onttrekking. De minister heeft kunnen betrekken dat door het gedrag van betrokkene (blijkt dat) hij de asielaanvraag ook kan gebruiken om onder de maatregel uit te komen en dat het door de vele gronden het aannemelijker lijkt dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel zijn vertrekprocedure zal belemmeren. De minister heeft ook voldoende gemotiveerd dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is, ondanks dat eiser verklaart hartpatiënt te zijn, nu dit eiser niet detentieongeschikt maakt. Er is in detentie gelijkwaardige gezondheidszorg . Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 november 2024
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.