Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:22842
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,124 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27658
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imami).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum voor kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 5 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 juni 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft samen met zijn moeder een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf omdat zij op familiebezoek in Nederland willen. Verweerder heeft de aanvraag van eisers moeder ingewilligd, maar de aanvraag van eiser afgewezen. Volgens verweerder heeft eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aangetoond. Ook heeft verweerder twijfel over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Verweerder vindt eisers sociale en economische binding met zijn land van herkomst (Pakistan) onvoldoende om zeker te zijn van een tijdige terugkeer.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser betoogt dat hij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf wel degelijk heeft aangetoond. Hij wil op familiebezoek bij zijn broer. In dit kader wijst hij erop dat de aanvraag van zijn moeder wel is ingewilligd. Zij zouden samen, en dus onder dezelfde omstandigheden en met het zelfde doel, naar Nederland reizen. Ook betoogt eiser dat zijn sociale en economische binding wel degelijk voldoende zijn aangetoond om er zeker van te zijn dat hij tijdig zal terugkeren naar Pakistan. Op dit punt wijst eiser ook op de ingewilligde aanvraag van zijn moeder. Tot slot betoogt eiser, onder verwijzing naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter, dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Eiser heeft in de bezwaarfase meerdere stukken overgelegd en verweerder had hier met een hoorzitting nader onderzoek naar moeten doen.Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Twijfel aan tijdige terugkeer
5.1.
Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toetst verweerder de sociale en economische binding van de aanvrager met zijn land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toe- of afnemen. Het is dan ook aan eiser om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Pakistan dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn sociale en economische binding zodanig sterk zijn dat zijn tijdige terugkeer gewaarborgd is. Zo heeft verweerder over de sociale binding voorop mogen stellen dat eiser een jonge ongehuwde man is zonder kinderen. Hij heeft weliswaar zijn moeder en zes broers en zussen in Pakistan, maar niet is gebleken dat eiser de verantwoordelijkheid draagt om voor hen te zorgen. Eiser heeft weliswaar aangegeven dat zijn moeder hulpbehoevend is en dat hij haar verzorgt, maar verweerder heeft mogen stellen dat deze stelling onvoldoende onderbouwd is. Verder heeft eiser verklaard dat hij verloofd is, maar ook op dit punt heeft verweerder mogen tegenwerpen dat een voldoende onderbouwing ontbreekt.
Over de economische binding heeft verweerder gesteld dat eiser weliswaar een begin van bewijs heeft geleverd dat hij werk heeft in Pakistan, maar dat er onvoldoende bewijs ligt om te spreken van een sterke economische binding. Volgens verweerder valt uit de overgelegde bankafschriften namelijk niet te herleiden dat het gestelde salaris van eiser ook daadwerkelijk door hem wordt ontvangen. Hoewel ter zitting is besproken dat uit de bankafschriften volgt dat er in de periode juli tot en met november 2023 maandelijks een bedrag van 150.000 RS is overgemaakt naar het rekeningnummer van eiser, dit bedrag overeenkomt met het salaris dat in het overgelegde contract staat vermeld en met het netto uit te betalen salaris dat op de loonstrook staat vermeld, heeft verweerder tijdens de zitting terecht aangegeven, dat uit de bankafschriften niet volgt van wie het maandelijkse bedrag van 150.000 RS afkomstig is. Zo staan er bijvoorbeeld geen kenmerken van eisers gestelde werkgever op de bankafschriften. Het is aan eiser om dit voldoende te onderbouwen en zijn economische binding met Pakistan aannemelijk te maken. Tijdens de zitting is besproken dat de beoordeling bij een nieuwe aanvraag anders zou kunnen uitpakken als eiser dit vollediger zou onderbouwen. Hetzelfde geldt in het kader van de sociale binding voor bewijs dat kan onderbouwen dat eiser voor het verzorgen van zijn moeder uit Oman is teruggekeerd naar Pakistan (zoals hij stelt).
5.3.
De rechtbank overweegt over de inwilliging van de aanvraag van eisers moeder het volgende. Het enkele feit dat de aanvraag van eisers moeder is ingewilligd, maakt niet dat verweerder ook eisers aanvraag had moeten inwilligen. Elke aanvraag wordt namelijk op zijn eigen merites beoordeeld door verweerder.
5.4.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij dusdanige sociale en economische binding heeft met Pakistan dat zijn tijdige terugkeer daarnaar gewaarborgd is. Nu deze afwijzingsgrond de afwijzing geheel kan dragen, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de andere afwijzingsgrond.
Hoorplicht
5.5.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag alleen van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Aan eiser is in bezwaar de gelegenheid geboden om zijn visumaanvraag nader te onderbouwen. Daarvoor heeft verweerder aan eiser een ‘Vragenlijst visumaanvraag’ toegezonden. Deze vragenlijst bevat een toelichting over welke bewijsstukken moeten worden overgelegd. Op grond van wat namens eiser in bezwaar is aangevoerd en overgelegd over zijn sociale en economische binding met Pakistan en de daaruit af te leiden twijfel over zijn tijdige terugkeer, was het meteen duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers aanvraag in stand blijft. Verweerder hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden. Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
Dictum
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Op 6 juli 2023, 7 augustus 2023, 13 september 2023, 10 oktober 2023, 13 november 2023.
De uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.