Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:22818
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,256 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-8334
Zaaknummer: C/09/656933
Datum beschikking: 20 december 2024
Alimentatie
Beschikking op het op 8 november 2023 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres
advocaat: mr. I.J. Pieters te Leiden.
Als belanghebbenden wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.J.W. van Kesteren te Zoetermeer.
[jongmeerderjarige] ,
de jong-meerderjarige,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens verzoekschrift van de zijde van de jong-meerderjarige;
- het verweerschrift van de zijde van de vrouw;
- het bericht van 12 november 2024, met bijlagen, van de zijde van de man.
Op 22 november 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat, de advocaat van de vrouw en de jong-meerderjarige met mr. V. de Roo (waarnemend voor mr. R.W. de Gruijl).
Feiten
- De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.
Zij zijn de ouders van [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] .
- Bij beschikking van deze rechtbank van 30 januari 2007 is – voor zover hier van belang – een door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld van € 275,- per maand.
Verzoek en verweer
De man verzoekt de beschikking van deze rechtbank van 30 januari 2007 te wijzigen en opnieuw beschikkende de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie op nihil te stellen met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift met de bepaling dat de voor die datum van nihilstelling ontstane achterstand wordt bepaald op hetgeen betaald c.q. verhaald is met nihilstelling van het meerdere dat nog verschuldigd is, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De jong-meerderjarige voert eveneens verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft zij zelfstandig verzocht:
- de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel;
- de man een verplichting tot het betalen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van en aan haar op te leggen van een bedrag van € 50,- per maand met terugwerkende kracht vanaf het moment dat zij jongvolwassen is geworden,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
De man stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden nu hij door verlies van inkomen, zijn huwelijk en door de oorlog gedwongen vertrek uit Oekraïne, geen draagkracht meer heeft om aan zijn verplichting te voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van rechtens relevante wijzigingen van omstandigheden die nopen tot een herbeoordeling van de door de man te betalen alimentatie. De gehele privésituatie van de man is immers fundamenteel veranderd sinds de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht. De man is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.
Beoordeling
Het eerste verzoek van de man tot nihilstelling betreft uitsluitend [jongmeerderjarige] , nu deze nihilstelling wordt verzocht met ingang datum indiening verzoekschrift, op welk moment [jongmeerderjarige] reeds (jong-)meerderjarig was. De rechtbank zal dat verzoek eerst bespreken. Daarna bespreekt de rechtbank het tweede verzoek van de man om de achterstand te bepalen op hetgeen bepaald is met nihilstelling van het meerdere dat nog verschuldigd is, welk verzoek is gericht tegen zowel [jongmeerderjarige] als de vrouw.
ten aanzien van [jongmeerderjarige]
Blijkens de door de man overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2023 heeft de man in 2023 een bruto AOW-uitkering en een bruto inkomen uit pensioen van in totaal € 18.644,- ontvangen. Van meer inkomsten uit arbeid of vermogen is niet gebleken.
Uitgaande van dit bedrag aan inkomsten en rekening houdend met de algemene heffingskorting volgt uit de berekening van de rechtbank een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 1.306,- per maand. De rechtbank zal, in lijn met het rapport alimentatienormen 2023, de draagkracht beoordelen aan de hand van de draagkrachttabel. Bij een NBI van
€ 1.306,- per maand resulteert dit in een minimale draagkracht van € 25,- per maand.
Naar het oordeel van de rechtbank is door de daling van de draagkracht van de man sprake van een zodanige wijziging van omstandigheden dat de vastgestelde bijdrage voor de jong-meerderjarige niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. Derhalve dient deze bijdrage met ingang van de datum van het verzoekschrift, te weten 8 november 2023, te worden gewijzigd in een bedrag van € 25,- per maand. De rechtbank zal aldus bepalen en het meer of anders door de man en [jongmeerderjarige] op dit punt verzochte afwijzen.
ten aanzien van [jongmeerderjarige] en de vrouw over de periode vóór datum indiening verzoekschrift
Het verzoek van de man komt feitelijk neer op een wijziging met terugwerkende kracht, per een vóór de indiening van het verzoekschrift gelegen datum.
De man geeft aan dat hij tot 13 april 2019 aan zijn alimentatieverplichting voldaan heeft, door telkens maandelijks een bedrag tussen de € 210,- en € 240,- over te maken. Hij stelt in 2018 in ieder geval € 3.450,- te hebben betaald. De man stelt dat hij meer heeft betaald dan hij kon betalen. Tot slot geeft de man aan dat hij over onvoldoende gegevens van zijn arbeidsverleden beschikt, nu hij zijn woonplaats in Oekraïne vanwege de oorlog halsoverkop heeft moeten ontvluchten.
De rechtbank overweegt als volgt.
De man heeft blijkens zijn eigen stellingen ook al vóór zijn vertrek uit Oekraïne niet aan zijn alimentatieverplichtingen voldaan, nu een bedrag van € 275,- per maand was vastgesteld in 2007, welk bedrag diende te worden vermeerderd met de jaarlijkse indexeringen. De man heeft pas in 2021 Oekraïne verlaten, terwijl hij ook volgens zijn eigen stellingen in ieder geval sinds 13 april 2019 zonder daartoe op grond van een afspraak of rechterlijke uitspraak gerechtigd te zijn, geen alimentatie meer betaalde.
De man heeft wel een en ander gesteld over zijn financiële situatie, maar heeft hij zijn stellingen nauwelijks met stukken onderbouwd. De man heeft aangevoerd dat dit te wijten is aan het feit dat hij Oekraïne heeft moeten ontvluchten en daarbij veel heeft moeten achterlaten. Naar het oordeel van de rechtbank komt dit echter voor eigen rekening en risico van de man. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man Nederlander is en tot 2004 partner bij PricewaterhouseCoopers is geweest, met een bijbehorend significant salaris. De man heeft destijds zelf de keuze gemaakt om in China, Rusland en Oekraïne werkzaam te zijn, waarvan hij op de zitting heeft aangegeven dat dit geen gelukkige keuzes zijn geweest. Als deze keuzes inderdaad ongelukkig zijn uitgepakt, kunnen de gevolgen daarvan niet op de vrouw en de jong-meerderjarige worden afgewend. Daarbij is van belang dat de vrouw ook heeft geprobeerd om in Oekraïne de kinderalimentatie op de man te verhalen en dat zij heeft aangetoond dat zij aanzienlijke schulden is aangegaan om in het levensonderhoud van [jongmeerderjarige] te kunnen voorzien, welke schulden zij nog niet heeft kunnen aflossen. Alles afwegende wijst de rechtbank het betreffende verzoek van de man af.
Dictum
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 30 januari 2007 – :
bepaalt de door de man met ingang van 8 november 2023 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] op € 25,- per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door mr. A.J.A.
Olthoff als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 december 2024.