Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:22526
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,044 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38489
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is van Afghaanse nationaliteit en is geboren op [1991] . Zij heeft op 24 februari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 september 2024 deze aanvraag in de algemene asielprocedure niet- ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Hidari als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het asielrelaas
4. Eiseres is op jonge leeftijd uit Afghanistan bent vertrokken. Vervolgens woonde zij een aantal jaren in Pakistan. In 2012 is zij met haar (inmiddels) ex-man getrouwd en vervolgens heeft eiseres in de periode tussen (ongeveer) 2014 en 2022 in het Verenigd Koninkrijk met hem gewoond. Eiseres werd zowel door haar echtgenoot als haar schoonfamilie slecht behandeld. In het laatste jaar is eiseres door haar echtgenoot verstoten, omdat hij geen interesse in eiseres had. Omdat eiseres de eer van haar familie heeft geschonden, is zij in 2022 uiteindelijk door een oom naar Oostenrijk gebracht. Dit op aanraden van één of meer vrouwelijke familieleden. Omdat bleek dat eiseres een Nederlands visum had, is zij vervolgens door de Oostenrijkse autoriteiten overgedragen aan Nederland. Bij een eventuele terugkeer naar Afghanistan vreest eiseres te worden gedood, omdat zij de
eer van haar familie geschonden heeft. Het is voor eiseres niet mogelijk om opnieuw bij haar schoonfamilie in het Verenigd Koninkrijk te gaan wonen.
Het bestreden besluit
5. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. Daarbij is aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Ter onderbouwing van dit besluit wijst de minister erop dat eiseres nog altijd beschikt over een geldige verblijfsstatus in het Verenigd Koninkrijk. Niet is gebleken, anders dan eiseres stelt, dat deze verblijfsstatus niet (langer) geldig is. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk eiseres niet kunnen of willen beschermen tegen haar ex-man en zijn familie. Eiseres heeft tot nu toe nooit bescherming aan de autoriteiten gevraagd. Eiseres komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning in Nederland op grond van schrijnende omstandigheden omdat de minister dit niet ambtshalve hoeft te toetsen wanneer een asielaanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a Vw.
Is het Verenigd Koninkrijk voor eiseres een veilig derde land?
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het Verenigd Koninkrijk voor eiseres geldt als veilig derde land. De Afdeling heeft in verschillende uitspraken1 uiteengezet hoe verweerder moet vaststellen of een land voor een vreemdeling een veilig derde land is. Daaruit volgt dat verweerder, aan de hand van de verklaringen van de vreemdeling en eventueel overgelegde of anderszins verkregen documenten, aannemelijk moet maken dat de vreemdeling een band heeft met het derde land. Het is vervolgens aan de vreemdeling om dat te weerleggen. Ook moet verweerder aannemelijk maken dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het derde land. Verder moet verweerder beoordelen of het derde land een veilig derde land is voor de vreemdeling. Op grond van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 is een vereiste hiervoor dat, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in dat derde land overeenkomstig de daar genoemde beginselen zal worden behandeld. Bij deze beoordeling moet verweerder de in artikel 3.37e, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) genoemde informatiebronnen betrekken.
7. Eiseres voert in beroep aan dat het Verenigd Koninkrijk voor haar niet als veilig derde land kan worden beschouwd. Ter onderbouwing voert eiseres aan dat zij niet kan terugkeren naar het Verenigd Koninkrijk omdat zij (primair) het risico loopt teruggestuurd te worden naar Afghanistan door haar (ex-)schoonfamilie en (subsidiair) omdat eiseres risico loopt om slachtoffer te worden van eerwraak. Eiseres stelt ook dat er specifieke omstandigheden zijn waarom het Verenigd Koninkrijk niet als veilig derde land voor haar kan worden aangemerkt, omdat de Britse autoriteiten, gelet op bevindingen van de speciale rapporteur2 van de VN, onvoldoende in staat zijn vrouwen en meisjes te beschermen tegen (huiselijk) geweld.
1. Zie bijvoorbeeld ABRvS 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3378, ECLI:NL:RVS:2017:3379, ECLI:NL:RVS:2017:3380 en ECLI:NL:RVS:2017:3381 en ABRvS 6 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2356.
2 https://www.ohchr.org/en/press-releases/2024/02/no-time-lose-uk-declares-violence-against- women-national-threat-un-expert
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister mocht wijzen op een recente beoordeling3 van het Verenigd Koninkrijk, in zijn algemeenheid, als veilig derde land. Ook wijst de minister er niet ten onrechte op wijst dat eiseres bescherming van de Britse autoriteiten kan vragen. Eiseres heeft niet weersproken dat zij geen bescherming kan vragen en uit het gehoor4 en tijdens de zitting is gebleken dat eiseres tot nu toe geen enkele poging heeft gedaan om bescherming bij de Britse autoriteiten te vragen of te verkrijgen. De minister verwijst ten aanzien van de mogelijkheid om bescherming te verkrijgen terecht naar een uitspraak5 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) waarin is geoordeeld dat zich pas een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM door
niet overheidsactoren kan voordoen als een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de desbetreffende staat daartegen geen bescherming kan of wil bieden. Eiseres heeft de bescherming van de autoriteiten niet ingeroepen, zodat niet gesteld kan worden dat de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk geen bescherming kunnen of willen bieden.
Daarnaast is niet gebleken dat vragen om bescherming bij voorbaat zinloos is. De door eiseres aangehaalde uitspraken van de speciale rapporteur van de VN zijn voor de rechtbank onvoldoende basis om (alleen) op grond daarvan te concluderen dat eiseres geen bescherming kan vragen of dat de Britse autoriteiten geen bescherming kunnen bieden. De minister wijst er daarom niet ten onrechte op dat eiseres de mogelijkheid heeft om in het Verenigd Koninkrijk om internationale bescherming te vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het redelijk dat eiseres zich naar het Verenigd Koninkrijk begeeft?
9. Naast beantwoording van de vraag of het Verenigd Koninkrijk in zijn algemeenheid een veilig derde land is, dient er een afweging te worden gemaakt om vast te stellen of eiseres’ band met het Verenigd Koninkrijk zodanig is dat het voor haar redelijk is daarnaartoe te gaan. Dit is de zogenaamde redelijkheidstoets die voortvloeit uit voormelde jurisprudentie van de Afdeling.
10. Eiseres voert in beroep aan dat het, gelet op haar individuele omstandigheden, niet redelijk is om haar te laten terugkeren naar het Verenigd Koninkrijk. Eiseres licht dit standpunt toe door te verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 20216 en stelt op grond van die uitspraak dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden waaronder eiseres in het Verenigd Koninkrijk verbleef. Specifiek noemt eiseres uitbuiting door haar (ex-) echtgenoot en zijn familie en de dreiging van (schoon)familie om haar naar Afghanistan te sturen of eiseres iets aan te doen. Als gevolg hiervan heeft eiseres ernstige psychische klachten ontwikkeld. De dreigende uitzetting naar het Verenigd Koninkrijk zorgt bovendien voor een verslechtering in haar psychische toestand en een toegenomen risico op suïcide. Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem7 stelt eiseres dat ook de medische omstandigheden onderdeel uitmaken van de redelijkheidstoets. Eiseres kan ook niet terugkeren naar het Verenigd Koninkrijk omdat zij daar geen familie heeft om op terug te vallen en niet verwacht kan worden dat zij zich naar haar schoonfamilie begeeft. Dit laatste klemt te meer omdat eiseres voornemens is een echtscheidingsprocedure te starten. Eiseres heeft wel grote steun van haar in Nederland woonachtige zus en heeft met deze zus gezinsleven in de zin
3 IB 2024/32 Beoordeling veilig derde land – Verenigd Koninkrijk .
4 rapport Nader gehoor, pagina 20-21.
5 ECLI:NL:RVS:2013:2892.
6 ECLI:NL:RVS:2021:122, r.o.
Conclusie
14. Het beroep is gegrond. Wat eiseres verder heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Er is geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten, omdat het op de weg van de minister ligt om nogmaals een beoordeling van de asielaanvraag van eiseres te verrichten. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen om binnen zes (6) weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiseres te nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
15. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1,0). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 30 september 2024;
draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 november 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.