Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:22410
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,982 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.49851
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
Inleiding
Bij besluit van 15 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is daar een tolk verschenen. De gemachtigde van eiser is middels een Teams-verbinding verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid aanhef en onder a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf. Eiser heeft op 23 september 2024 een meeromvattende beschikking ontvangen waarin ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod besloten ligt.
Gronden
5. Verder is de rechtbank van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3i, 4a, 4c, en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
5.1.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de gronden 3a en 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het feitelijk juist dat eiser zonder grensoverschrijdende documenten Nederland is ingereisd (3a) en dat eiser tijdens eerder gevoerde vertrekgesprekken heeft aangegeven dat hij niet terug wil keren naar Marokko (3i). Verder heeft eiser zich niet gehouden aan de verplichting van artikel 4.21 Vb (4a) en heeft hij niet aannemelijk gemaakt een vaste woon- of verblijfplaats te hebben (4c). De stelling van eiser dat hij bekend staat als verblijvende op het azc betekent niet dat hij een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Daarnaast beschikt eiser niet over voldoende middelen van bestaan (4d).
Lichter middel
6. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen en de verklaringen van eiser dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst, is de minister terecht ervan uitgegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
6.1.
De rechtbank constateert dat door eiser geen medische omstandigheden kenbaar zijn gemaakt. Door de minister is eiser erop gewezen dat, mochten zich medische omstandigheden voordoen, alle medische faciliteiten in het Detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. Ook is aangegeven dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
6.2.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
7. De rechtbank stelt vast dat de minister op de vierde dag van de inbewaringstelling, 18 november 2024, een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. Verder overweegt de rechtbank dat de minister op 12 december 2024 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en dat de minister al vóór de inbewaringstelling op 9 oktober 2024 een laissez-passer (lp) traject voor eiser heeft opgestart en driemaal gerappelleerd heeft op de lp-aanvraag. De rechtbank acht dit handelen voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
8. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022 en 8 augustus 2023, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 oktober 2006, 2006/6986/1, van 1 augustus 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY5964, van 29 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG9512 en meer recent van 23 oktober 2023 ECLI:NL:RVS:2023:3885.
ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ECLI:NL:RVS:2023:3033.