Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:2236
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
972 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.33749
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. F. van der Kamp).
Procesverloop
Met het besluit van 20 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag van de moeder van verzoekster om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen. Verzoekster is mantelzorger van haar moeder.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het daarin aan haar opgelegde terugkeerbesluit, bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 8 januari 2024 heeft de staatssecretaris bericht dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening, voor zover dat ziet op het niet uitzetten totdat er een beslissing is genomen op het bezwaarschrift.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan - onder meer - indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De voorzieningenrechter overweegt dat de werking van het bestreden besluit ingevolge artikel 6:16 van de Awb niet wordt geschorst, ook niet indien tegen dat besluit bezwaar is gemaakt. Tevens overweegt de voorzieningenrechter dat de staatssecretaris ingevolge de
Awb noch de Vw zelf de bevoegdheid heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit - met de aanzegging aan verzoekster Nederland te verlaten - op te schorten.
4. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat van uitzetting van verzoekster op dit moment moet worden afgezien, bestaat reeds daarom aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
5. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de staatssecretaris te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 875,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1, waarde per punt € 875,-).
6. Verzoekster is vrijgesteld voor het betalen van griffierecht, zodat hiervoor geen vergoeding nodig is.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
verbiedt de staatssecretaris verzoekster uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van € 875,-, te betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 februari 2024
Documentcode: [documentcode]
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.