Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:22298
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,512 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.41245 en NL24.41248 (verlengingsbesluiten)
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser [eiseres] , V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
(samen: eisers)
en
de Minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: drs. M.F. Aly).
Inleiding
1. Verweerder heeft op 16 oktober 2024 aan eisers medegedeeld de overdrachtstermijn voor de overdracht aan Duitsland te verlengen (hierna: de verlengingsbesluiten). De verlenging is geschied op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het verlengen van de overdrachtstermijn.
1.2
De rechtbank heeft de beroepen van eisers op 26 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, S. Khudaida als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Waar gaat de zaak over?
2. Eisers hebben beiden de Iraakse nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 2000 en eiseres op [geboortedag 2] 2004. Zij zijn broer en zus. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder geconcludeerd dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, omdat uit Eurodac is gebleken dat eiser op 10 februari 2022 en eiseres op 17 oktober 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Verweerder heeft Duitsland daarom verzocht de behandeling van de asielaanvraag van eisers over te nemen. Duitsland heeft deze verzoeken geaccepteerd. Vanwege onderduiken heeft verweerder de overdrachtstermijnen van eisers verlengd met 18 maanden.
2.1
Geschil
Wat vinden eisers?
3. Gemachtigde stelt dat eisers op 21 oktober 2024 ingeschreven stonden op de bewonerslijst van het AZC [plaats] en dat er daarom geen sprake kan zijn van onderduiken. Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij dit weet, doordat zij die dag heeft gebeld met het AZC om in contact te komen met eisers. Aan gemachtigde is toen telefonisch medegedeeld dat eisers nog op de bewonerslijst stonden ingeschreven. Volgens gemachtigde wijst dit erop dat eisers niet vertrokken waren. Dan zouden zij wel zijn uitgeschreven.
Wat is het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank volgt dit betoog niet. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat de situatie anders ligt. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder een systeemuitdraai getoond waaruit volgt dat eisers op 10 oktober 2024 MOB zijn gemeld. Verder staat in de berichten van het COA van 29 oktober 2024 en 30 oktober 2024 dat eiseres respectievelijk eiser zich per 24 oktober 2024 weer hebben gemeld en niet langer MOB zijn gemeld. Bovendien hebben eisers in het vertrekgesprek van 20 november 2024 zelf verklaard dat zij uit angst voor overdracht naar Duitsland zijn vertrokken en dat zij een aantal dagen bij familie en vrienden konden verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende onderbouwd dat eisers op 16 oktober 2024 MOB waren gemeld en dat sprake is geweest van onderduiken als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft de overdrachtstermijn op goede gronden verlengd.
4.1
De stelling van de gemachtigde ter zitting dat eisers zich op 23 oktober in Ter Apel hebben gemeld, maakt het voorgaande niet anders. Ook als dat zo is, is dat na 16 oktober 2024, dus na de datum waarop verweerder de overdrachtstermijn heeft verlengd. Voor zover de gemachtigde heeft aangeboden navraag te doen bij het COA over de inschrijving van eisers op 21 oktober 2024, gaat de rechtbank ook hieraan voorbij. Uit voornoemde berichten van het(zelfde) COA volgt immers al dat eisers tot 24 oktober als MOB stonden gemeld. Ook als zij per abuis nog ingeschreven stonden, doet dit geen afbreuk aan de conclusie van verweerder. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de inhoud van de berichten van het COA ook strookt met de zitting getoonde systeemuitdraai waaruit volgt dat eisers zich per 24 oktober 2024 weer hebben gemeld.
Conclusie
5. Het beroep tegen de verlengingsbesluiten is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van N. Bagheri, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013
Verordening 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vw.
Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
Deze stukken zijn vervolgens ook aan het digitale dossier toegevoegd.