Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:22289
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,631 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.49930
uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),
en
de minister van Buitenlands Zaken, verweerder
(gemachtigde: Y. Verheugd).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
1.1.
Verzoekster heeft op 31 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf om haar zus en haar gezin te bezoeken. Met het primaire besluit van 11 november 2024 heeft verweerder haar aanvraag afgewezen.
1.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat aan haar de gevraagde visum wordt verleend zodat zij haar zus kan bijstaan na de bevalling.
1.3.
Verweerder heeft op 24 december 2024 een verweerschrift ingediend.
1.4.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Verzoekster verblijft momenteel in Soedan. De zus van verzoekster verblijft in Nederland met haar echtgenoot en vier kinderen. Verzoekster wil een visum kort verblijf om naar Nederland te komen, zodat ze haar zus gedurende drie maanden kan ondersteunen na de bevalling op 9 december 2024. Haar zus moet de komende periode bedrust houden en zij heeft geen vangnet in Nederland. De echtgenoot van haar zus werkt fulltime.
4. Verweerder heeft de aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen op de volgende gronden:
- Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf zijn onvoldoende aangetoond;
- Er bestaat redelijke twijfel over verzoekers voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum (vestigingsgevaar).
5. Verzoekster voert aan dat zij het doel en de omstandigheden van haar verblijf voldoende duidelijk heeft gemaakt. Zij wijst op de verklaring van haar achterblijvende zus, de schoolverklaringen van haar kinderen van 26 juni 2024 en de medische verklaring van haar zus in Nederland van 26 november 2024. Verder voert verzoekster aan dat geen sprake is van vestigingsgevaar. Verzoekster heeft een sociale binding met Soedan, omdat haar echtgenoot en kinderen daar verblijven. Tot slot voert verzoekster aan dat verweerder ten onrechte niet de belangen van het kind heeft betrokken in de besluitvorming.
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mist de verzochte voorziening een voorlopig karakter, omdat toewijzing als uitkomst heeft dat verzoekster Nederland mag inreizen. Dat is ook wat verweerder in het kader van de visumprocedure moet beoordelen. Bij het onderzoek of aan de toepassingsvoorwaarden van de Visumcode is voldaan, komt aan verweerder een ruime beoordelingsmarge toe. Het verzoek kan daarom alleen in uitzonderlijke gevallen voor toewijzing in aanmerking komen. Dit is alleen zo in die gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek in verhouding met het belang van verweerder bij de handhaving van die afwijzing zó onevenredig zijn, dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. Voor een dergelijk vergaande beslissing is in principe alleen plaats indien een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt een zwaarwegend spoedeisend belang bij het verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat alleen verzoekster zou kunnen voorzien in de zorgbehoefte van haar zus. Hierdoor is ook niet aangetoond dat het belang van het kind in het gedrang komt door de afwijzing van het gevraagde visum voor kort verblijf.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat het besluit evident onrechtmatig is. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een tijdige terugkeer van verzoekster naar Soedan onvoldoende gewaarborgd is. Verweerder heeft terecht gewezen op verzoeksters beperkte sociale en economische binding met Soedan. Verzoekster heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij beschikt over een regelmatig en substantieel inkomen of dat zij anderszins een economische binding heeft met Soedan. Ook heeft verzoekster haar sociale binding met Soedan onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens verzoekster heeft zij drie minderjarige, schoolgaande kinderen. Verweerder heeft echter mogen vinden dat zij dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Voor zover er wel van zou moeten worden uitgegaan dat verzoekster moeder is van drie kinderen, stelt verweerder terecht dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat zij momenteel naar school gaan. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Verzoekster heeft namelijk geen documenten overgelegd die de familieband met haar (gestelde) zus onderbouwt.
9. Omdat niet is gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekster te laten vallen.
Conclusie
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.