Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:22143
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,380 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51157
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 27 maart 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Bij besluit van 17 september 2024 heeft verweerde deze maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank op 19 december 2024 door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft op deze kennisgeving een reactie gegeven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek te zitting achterwege blijft en op 24 december 2024 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Ghanese nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al meermaals heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 april 2024. Vervolgens zijn al eerder vervolgberoepen beoordeeld. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 juli 2024 en 11 september 2024. Daarnaast heeft deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 14 oktober 2024 het verlengingsbesluit beoordeeld en geoordeeld dat de duur van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig is verlengd. Daarom staat nu ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste vervolgberoep, 10 oktober 2024, rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder ondanks de positie die hij aanneemt feitelijk enkel één keer per maand voor de vorm een gesprek met hem voert en één keer per maand een bericht stuurt naar de Ghanese autoriteiten. Dit betekent dat verweerder niet voldoende voortvarend handelt en dat er geen zicht op uitzetting bestaat binnen een redelijke termijn. Van verweerder kan worden verwacht dat hij meer inzicht geeft over of en wanneer eiser kan worden uitgezet. Blijkbaar werkt Ghana niet mee aan het verstrekken van een vervangend reisdocument. De bewaring kan dan ook niet langer voortduren.
5. Eisers beroepsgrond slaagt niet. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Ghana in algemene zin weigert laissez-passers (lp’s) te verstrekken, waardoor zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn kan worden aangenomen. Verder acht de rechtbank het van belang dat eiser niet actief en volledig meewerkt aan zijn terugkeer, terwijl dat wel van hem mag worden verwacht. Uit het voortgangsrapport en de verslagen van de vertrekgesprekken van 31 oktober 2024 en 28 november 2024 blijkt dat eiser niet mee wil werken aan zijn terugkeer naar Ghana. Onder de gegeven omstandigheden is verweerder afhankelijk van het onderzoek dat door de Ghanese autoriteiten wordt uitgevoerd. Verweerder heeft laatstelijk op 5 december 2024 gerappelleerd bij de Ghanese autoriteiten. Gelet hierop is niet gebleken dat er geen zicht meer is op uitzetting binnen redelijke termijn naar Ghana dan wel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verder is er voorafgaand aan het verlengingsbesluit een verzwaarde belangenafweging gemaakt en nogmaals een belangenafweging gemaakt op 17 december 2024. Het belang van verweerder om de maatregel te laten voortduren weegt dan ook zwaarder dan het belang van eiser om zijn lp-aanvraag in vrijheid af te wachten.
6. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 december 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2024:5688.
ECLI:NL:RBDHA:2024:10519 en ECLI:NL:RBDHA:2024:14455.
ECLI:NL:RBDHA:2024:16774.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4500.
Zie pagina 5 van het voortgangsrapport.