Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:2198
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,819 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.2182
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Kalu-Mollema),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 januari 2024 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank wijst het beroep om aanhouding van de behandeling af en verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Medische omstandigheden
5. Eiser voert aan dat hij psychische problemen heeft wegens de oorlogsomstandigheden in Syrië en daarvoor wordt behandeld door een psycholoog. In Nederland heeft hij steun van de familieleden van zijn vrouw. Zonder hun fysieke nabijheid en directe hulp is er een aanzienlijk risico dat zijn mentale gezondheid ernstig verslechtert, wat onomkeerbare gevolgen kan hebben. Eiser stelt daarom dat de staatssecretaris moet onderzoeken of de feitelijke uitzetting naar Duitsland een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM oplevert, als bedoeld in het arrest C.K.2 Eiser heeft nog geen onderbouwing, omdat de intake door de psycholoog pas op 2 februari 2024 is gestart, en de assistent van de psycholoog heeft aangegeven dat hij een aantal sessies nodig heeft alvorens een gedegen verklaring op papier kan worden gezet. Eiser verzoekt om aanhouding van de behandeling van het beroep om zijn standpunt te onderbouwen. Eiser wil echter geen toewijzing van de voorlopige voorziening. De overdrachtstermijn wordt dan opgeschort.
6. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank ziet te weinig aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden. Er is geen medische informatie overgelegd en de mededelingen over de intake bieden geen aanknopingspunten voor de aanname dat acute zorg nodig is. Nu het eerste intakegesprek kennelijk geen begin van onderbouwing voor een acute situatie heeft opgeleverd wijst de rechtbank het aanhoudingsverzoek af.
7. Wat betreft medische voorzieningen mag de staatssecretaris er op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat er in Duitsland gelijkwaardige medische (waaronder psychische) zorg voor eiser aanwezig is, mocht die noodzakelijk zijn. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt of anderszins onderbouwd dat dit uitgangspunt onjuist is. Verder is niet gebleken dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen. Dat eiser afhankelijk is van zijn schoonfamilie voor het welslagen van een eventuele behandeling is ook niet onderbouwd. De (hoge) drempel van het arrest C.K. wordt pas bereikt wanneer sprake is van een 'ernstige mentale of lichamelijke aandoening en de Dublinoverdracht op zichzelf aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen heeft voor zijn gezondheidstoestand’. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 16 en 17 van de Dublinverordening
8. Eiser voert aan dat overdracht aan Duitsland onevenredig hard is, omdat hij daar geen hulp van de familieleden van zijn vrouw kan krijgen. Mede gelet op zijn psychische problemen, is hun fysieke nabijheid en steun van belang. De staatssecretaris had de asielaanvraag daarom op grond van artikel 16 of 17 van de Dublinverordening in behandeling moeten nemen.
9. De rechtbank is met de staatssecretaris van oordeel dat artikel 16 van de Dublinverordening niet van toepassing is, omdat er geen betrekking is tussen eiser en zijn gestelde schoonfamilie als bedoeld in dat artikel (kind, broer, zus, ouder).
10. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan
2 ECLI:EU:C:2017:127.
Duitsland in zijn geval onevenredig hard is. Dat in Nederland familieleden van zijn vrouw verblijven, is op zichzelf onvoldoende om een bijzondere omstandigheid aan te nemen.
Verder mag de staatssecretaris er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat er voor eiser in Duitsland gelijkwaardige medische zorg aanwezig is en is niet gebleken dat Nederland het aangewezen land is om eiser te behandelen. De staatssecretaris hoefde dus geen toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 februari 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.