Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:21949
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,424 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48938
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Handelt de minister voldoende voortvarend?
1. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting naar Tunesië. Eiser zit namelijk al sinds 16 oktober 2024 in bewaring. Aangezien zijn Tunesische nationaliteit vaststaat, had van de minister meer inspanning verwacht mogen worden om eiser uit te zetten.
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank kan de minister volgen in zijn – ter zitting ingenomen – standpunt dat niet vaststaat dat eiser de Tunesische nationaliteit heeft. Uit het rechtbankdossier blijkt namelijk niet dat eiser in het bezit is van een geldig identiteitsdocument waar dit uit blijkt. De enkele aanvraag van een laissez-passer (lp) bij de Tunesische autoriteiten maakt niet dat de Tunesische nationaliteit van eiser vaststaat, aangezien de Tunesische autoriteiten dit nog niet hebben bevestigd. Daar komt bij dat uit de niet bestreden zware grond 3d (niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit) volgt dat de nationaliteit van eiser dus niet vaststaat.
1.1.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op zitting toegelicht dat hij op 4 december 2024 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser en dat hij op 6 december 2024 een lp-aanvraag heeft ingediend bij de Tunesische autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister daarmee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Bovendien hoefde de minister in de periode dat eiser in vreemdelingenbewaring zat op grond van de maatregel van bewaring van 16 oktober 2024 niet aan de uitzetting van eiser te werken, aangezien deze maatregel was gebaseerd op artikel 59b van de Vw 2000. De stelling van eiser dat de minister niet voldoende voortvarend aan zijn uitzetting werkt omdat hij al sinds 16 oktober 2024 in bewaring zit volgt de rechtbank dan ook niet. Tot slot merkt de rechtbank op, zoals ter zitting ook aan eiser is voorgehouden, dat hij ook zelf handelingen kan verrichten om zijn uitzetting te bespoedigen. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan. Hoewel uit het verslag van het vertrekgesprek van 4 december 2024 blijkt dat eiser wellicht een vrijwilligersbrief gaat schrijven aan de Tunesische autoriteiten om zo zijn lp-aanvraag mogelijk te versnellen, heeft de minister op zitting – onbestreden – toegelicht dat eiser dit vooralsnog niet heeft gedaan. Van eiser had dit wel mogen worden verwacht.
Minder dwingende maatregel?
2. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een minder dwingende maatregel. Er bestaat volgens hem namelijk geen vrees dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Omdat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft bestreden en de rechtbank ook geen reden ziet om aan te nemen dat deze gronden onjuist zijn, heeft de minister voldoende gemotiveerd dat, wegens risico op onttrekking aan het toezicht en het belemmeren of ontwijken van de uitzetting, de maatregel noodzakelijk is. De enkele stelling van eiser dat er geen vrees is dat hij zich zal onttrekken aan het toezicht is niet voldoende om te oordelen dat de minister niet tot inbewaringstelling mocht overgaan. In het bestreden besluit heeft de minister ook toegelicht waarom geen aanleiding is gezien om een minder dwingend middel toe te passen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.