Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:21754
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,642 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/2084
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] (Duitsland), eiser
en
het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder
(gemachtigde: mr. J.M. Nijman ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van de definitieve jaarafrekening over zorgjaar 2019 waarin de bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) is vastgesteld.
1.1.
Met het primaire besluit van 16 september 2022 heeft verweerder de definitieve jaarafrekening over zorgjaar 2019 vastgesteld. Met het bestreden besluit van 27 januari 2023 heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft op 30 november 2023, 16 januari 2024 en 5 november 2024 aanvullende stukken van eiser ontvangen.
1.4.
De rechtbank heeft op 13 november 2024 aanvullende stukken van verweerder ontvangen.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn echtgenote, en de gemachtigde van eiser.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser woont in Duitsland en ontvangt een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hij is ingevolge de Zvw als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft daarom met toepassing van de Europese Verordening (EG) 883/2004 (de Verordening) recht op zorg in zijn woonland Duitsland, ten laste van pensioenland Nederland. Voor dit recht op zorg is eiser een buitenlandbijdrage verschuldigd die wordt ingehouden op zijn pensioen.
3. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser geen vordering ter hoogte van € 1.291,55 (€ 974,88 + rente) heeft op basis de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 april 2022 (hierna: de uitspraak van de CRvB) die ziet op de vaststelling van de definitieve jaarrekening over 2016. De CRvB heeft in die uitspraak bevestigd dat de definitieve bijdrage over 2016 € 5.463,79 bedraagt, waarvan een bedrag ter hoogte van € 974,88 via inhouding op de AOW was betaald en dat eiser nog een bedrag van € 4.488,91 moet betalen. Voor het aftrekken van een bedrag van de definitieve jaarrekening 2019 ziet verweerder geen aanleiding.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de definitieve jaarafrekening over zorgjaar 2019. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Wat vindt eiser?
5. Eiser heeft aangevoerd dat uit de uitspraak van de CRvB volgt dat de verdragsbijdrage over 2016 € 4.88,91, dan wel € 4.488,91 bedroeg en omdat hij over 2016 € 5.463,79 heeft betaald, hij een vordering heeft op verweerder. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met deze vordering, vermeerderd met wettelijke rente.
Wat oordeelt de rechtbank?
6. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de definitieve bijdrage over 2019 niet in geschil is.
6.1.
Partijen verschillen van mening over de uitleg van de uitspraak van de CRvB. De CRvB heeft in het dictum het beroep van eiser tegen de uitspraak van de rechtbank ongegrond verklaard. Het dictum dient te worden gelezen in relatie met de overwegingen. In rechtsoverweging 1.5 heeft de CRvB overwogen: “Bij besluit van 15 juni 2018 heeft CAK het besluit van 16 november 2017 herzien […]. CAK heeft daarbij de buitenlandbijdrage voor 2016 nader vastgesteld op € 5.463,79. Omdat al € 974,88 is ingehouden op het inkomen van appellant moet hij nog € 4.488,91 betalen.”
In rechtsoverweging 1.6 “[…] heeft CAK appellant tegen het besluit van 15 juni 2018 ongegrond verklaard.”
In rechtsoverweging 2 staat dat de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard.
6.2.
Niet kan worden ontkend dat in de uitspraak van de rechtbank, waartegen eiser in hoger beroep was gegaan, verschillende bedragen worden genoemd als jaarbijdrage. Ook in de gerectificeerde versie. Uit de uitspraak van de CRvB, waarbij het dictum moet worden gelezen in relatie tot de rechtsoverwegingen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank eenduidig dat de bijdrage over 2016 is vastgesteld op € 5.463,79 en dat eiser nog € 4.488,91 moest betalen over dat jaar. Van een vordering van eiser op verweerder vanwege 2016, is dan ook geen sprake. De grond treft dan ook geen doel.
7. De rechtbank verwerpt ook de grond dat de Verordening is overtreden, omdat deze pas ter zitting is aangevoerd en daarmee te laat.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr.E.P.A. Stok, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.