Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:21726
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,621 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8623
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2024 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college.
Procesverloop
Bij brief van 22 augustus 2024 heeft het college eiser medegedeeld dat vanaf september 2024 weer een bedrag van € 40,50 per maand wordt ingehouden op zijn bijstandsuitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) in verband met een op die uitkering gelegd beslag.
Bij besluit van 29 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het college het hiertegen door eiser op 24 augustus 2024 ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft op 30 oktober 2024 digitaal beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 17 november 2024 heeft eiser aanvullende stukken ingediend en daarbij verzocht om een schadevergoeding.
Het college heeft de gedingstukken ingestuurd.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting, omdat het beroep kennelijk gegrond is. Het college heeft het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Eiser kon wel bezwaar maken tegen de inhouding op zijn uitkering. Dit leidt echter niet tot het door eiser gewenste resultaat, omdat de rechtmatigheid van het op de uitkering gelegde beslag niet ter beoordeling van de bestuursrechter staat. Hieronder legt de rechtbank uit waarom zij tot dit oordeel komt.
2. Op grond van artikel 7:1 van de Awb in samenhang met artikel 8:1 van de Awb kan alleen bezwaar worden gemaakt tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
3. Uit de stukken blijkt dat op 27 september 2023 door de deurwaarder beslag is gelegd op de uitkering van eiser in verband met een achterstallige huurschuld. In verband daarmee is maandelijks een bedrag van € 60,83 ingehouden op de uitkering. De uitkering is per 14 december 2023 tijdelijk stopgezet, omdat eiser niet op een tweetal afspraken was verschenen. Vanaf 11 april 2024 kreeg eiser opnieuw een bijstandsuitkering. Bij brief van 22 augustus 2024 heeft het college eiser meegedeeld dat de inhouding op de uitkering in verband met het gelegde beslag wordt hervat, en dat hiertoe vanaf september 2024 een bedrag van € 40,50 per maand op de uitkering wordt ingehouden.
4. Anders dan het college is de rechtbank van oordeel dat de brief van het college inzake de hervatting van de inhouding op de uitkering wel het karakter van een besluit heeft. Die inhouding leidt er immers toe dat eiser (opnieuw) een lagere uitkering krijgt. Verder is het ingehouden bedrag ook gewijzigd. Dat de inhouding op de uitkering direct voortvloeit uit een gelegd beslag leidt niet tot een ander oordeel. Eiser kon dan ook tegen de brief van 22 augustus 2024 bezwaar maken. Het college heeft dit miskend.
5. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank zal echter zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiser tegen de inhouding op zijn uitkering ongegrond te verklaren. Daartoe dienen de volgende overwegingen.
6. De rechtbank verwijst allereerst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 december 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO9009), waarin is overwogen dat de beslagdebiteur (in dit geval eiser) bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering kan voorleggen aan de civiele rechter en dat de derde beslagene (in dit geval het college) is gehouden volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. Ook de bestuursrechter dient bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd beslag de geldigheid van dat beslag als een gegeven te beschouwen. Zijn toetsing kan niet verder strekken dan de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van zijn betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag.
7. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige procedure niet ter beoordeling voorligt of bevoegdelijk rechtmatig en voor een juist bedrag beslag op de bijstandsuitkering van eiser is gelegd. De rechtbank ziet geen grond om in dit geval het standpunt van de CRvB zoals verwoord in voornoemde uitspraak, niet te volgen.
8. De rechtbank constateert voorts dat het college bij het uitvoeren van het beslag is gebleven binnen het kader van het beslag. Verder is rekening gehouden met de regels over de beslagvrije voet. Daardoor is de uitkering die eiser ontvangt niet lager dan de voor hem geldende beslagvrije voet.
9. Gelet op het voorgaande kan eiser met zijn bezwaar niet bereiken dat de inhouding op zijn uitkering ongedaan wordt gemaakt. Het bezwaar daartegen is ongegrond.
10. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit van het college gegrond wordt verklaard zal de rechtbank bepalen dat het college het door eiser betaalde griffierecht dient te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling of een schadevergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- verklaart het bezwaar tegen de beslissing van 22 augustus 2024 ongegrond;
- bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2024.
griffier rechter
de rechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 van de Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.