Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:21706
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,376 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43671
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 november 2024 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 29 november 2024, samen met de zaak NL24.43672, op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voor de zitting afgemeld.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Is het voornemen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel?
5. Eiser voert aan dat het voornemen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen omdat er een standaard tekst is gebruikt. Daarnaast voert eiser aan dat het onzorgvuldig is dat het voornemen van eerdere datum is dan het Dublingehoor.
5.1.
Het betoog slaagt deels. De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom dat zo is.
5.1.1.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het voornemen een voorbereidingshandeling is waaraan geen rechtsgevolgen verbonden zijn. Het voornemen voldoet aan de daaraan gestelde vereisten omdat de minister heeft gemotiveerd waarom Spanje verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en hij geen toepassing geeft aan artikel 17 van de Dublinverordening. Ook als de verklaringen van eiser niet kenbaar zijn betrokken in het voornemen heeft eiser in de zienswijze de kans gekregen om te reageren op het voornemen en naar voren te brengen waarom zijn persoonlijke omstandigheden maken dat er van een overdracht moet worden afgezien. Daarom is het gebruik van een standaardtekst in het voornemen geen zorgvuldigheidsgebrek. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, leidt niet tot een ander oordeel omdat het in die zaak ging om een andere feitelijke situatie. In die zaak kon de minister niet volstaan met een standaard voornemen omdat de minister had moeten ingaan op de aangevoerde omstandigheden van die vreemdeling. Ten tijde van het uitbrengen van het voornemen in de zaak van eiser waren geen bezwaren van eiser tegen een eventuele overdracht bekend. De minister hoefde daar dus ook niet op in te gaan in het voornemen.
5.1.2.
De rechtbank volgt wel het betoog van eiser dat de minister het voornemen pas had mogen uitvaardigen op het moment dat hij gehoord was. In het voornemen moet de minister immers ingaan op de bezwaren die een vreemdeling eventueel in het gehoor naar voren brengt. De minister heeft onzorgvuldig gehandeld door het voornemen uit te brengen terwijl eiser nog niet was gehoord. Uit het rapport van het Dublingehoor van 20 oktober 2024 bleek namelijk al dat eiser buiten zijn schuld om niet was verschenen. Dit gebrek is echter door de minister hersteld omdat eiser, nadat hij in de zienswijze op dit gebrek had gewezen alsnog is gehoord voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit.
De minister had na het gehoor van eiser op 25 oktober 2024 in beginsel een nieuw voornemen moeten uitvaardigen. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat hij daar in dit geval van heeft afgezien omdat eiser tijdens het gehoor geen bezwaren tegen de overdracht naar voren heeft gebracht. De rechtbank kan de minister daar in dit geval in volgen.
5.1.3.
De rechtbank deelt ook het standpunt van eiser dat de minister in het besluit ten onrechte niet in is gegaan op het in de zienswijze terecht gesignaleerde gebrek. Dit betekent dat aan het besluit zowel een motiverings- als een zorgvuldigheidsgebrek kleeft.
5.2.
De rechtbank passeert de gesignaleerde gebreken echter met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Eiser is namelijk niet in zijn belangen geschaad omdat hij tijdens het Dublingehoor geen bezwaren tegen een overdracht aan Spanje naar voren heeft gebracht; hij heeft volstaan met de mededeling dat hij daar niet naar terug wil, zonder aan te geven waarom dat zo is.
Kan er voor Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden?
6. Eiser voert aan dat er voor Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Hij zal bij overdracht aan Spanje in een situatie terechtkomen van extreme armoede. Op grond van het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie kan een overdracht daarom niet plaatsvinden. Eiser zal in Spanje geen opvang krijgen en Spanje maakt zich direct dan wel indirect schuldig aan refoulement.
6.1.
Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat er voor Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De Afdeling heeft dit op 24 juni 2024 nog bevestigd. De bronnen waar eiser naar verwijst zijn een AIDA-rapport, een rapport van de Spanish Commission for Refugees en een nieuwsbericht. Voor al deze bronnen geldt dat zij uit 2020 komen. Omdat de bronnen verouderd zijn, althans nu in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling recentere informatie is betrokken, kunnen zij niet tot een ander oordeel leiden. Eiser kan geen geslaagd beroep doen op het arrest Ibrahim omdat dat arrest niet ziet op een Dublinclaimant, maar op een vreemdeling met internationale bescherming. Voor die situatie geldt een ander toetsingskader dan de situatie van Dublinclaimanten zoals eiser.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?
7. Eiser voert aan dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht en niet heeft onderbouwd waarom in zijn geval artikel 17 van de Dublinverordening toegepast zou moeten worden.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. De rechtbank heeft echter wel een gebrek geconstateerd en gepasseerd. Daarom krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt dit bedrag vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.750 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Engberts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser verwijst hierbij naar Rb Den Haag, zp Roermond 22 oktober 2024, r.o. 7.
ABRvS 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348, r.o. 2.1.
HvJ 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219 (Ibrahim) i.s.m. met 21 december 2011, ECLI:EU:C:2011:865 (N.S.) en 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo).
ABRvS 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2548.