Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:21656
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
826 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42719
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2024 in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. E. Stap),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van 4 oktober 2024, waarbij de minister heeft besloten om eiser een vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Vw op te leggen.
1.1.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 december 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.3.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding van de proceskosten. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
Overwegingen
3. Aan eiser is de plicht opgelegd om vanaf 1 oktober 2024 te verblijven in de gemeente Westerwolde, binnen de vrijheidsbeperkende locatie. De minister heeft overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert. Hierbij is van belang dat eiser niet heeft voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Verder beschikt eiser niet over een vaste woon- of verblijfplaats. Daarnaast beschikt eiser ook niet over voldoende middelen van bestaan. Bovendien is het recht op opvang verstreken op 19 september 2024. De minister voegt daar op de zitting aan toe dat geen rechtsmiddelen zijn aangewend tegen de beslissing van 19 september 2024 en eiser dus nog steeds geen rechtmatig verblijf heeft.
4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat zijn persoonlijke belangen onvoldoende zijn meegewogen. Dit is namelijk door eiser niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Bovendien heeft eiser aangegeven dat hij geen bezwaren heeft tegen het opleggen van de maatregel. Ook had de minister in dit geval geen aanleiding hoeven zien tot het opleggen van een lichter middel, omdat eiser niet concreet heeft gemaakt dat hij toegang tot opvang heeft.
5. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2024 door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Vreemdelingenwet 2000.