Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:21525
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,056 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35552
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 6 december 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 september 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Wel constateert de rechtbank een motiveringsgebrek, maar dit gebrek leidt niet tot een andere uitkomst voor eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiser verklaart dat hij de Eritrese nationaliteit heeft en is geboren op [datum] 1984.
5. Eiser heeft op 10 september 2020 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen, omdat Zweden verantwoordelijk was voor eisers asielaanvraag. Eiser is niet aan Zweden overgedragen, omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Op 6 december 2022 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij is geboren in Soedan en de Eritrese nationaliteit heeft. Eiser geeft aan uit Eritrea te zijn ontvlucht, nadat hij een oproep had gekregen voor de militaire dienst. Daarop is eiser onmiddellijk, op illegale wijze, uit Eritrea vertrokken.
Het bestreden besluit
6. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit. Verweerder beoordeelt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst als niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn identiteit en nationaliteit niet aangetoond met documenten. Daarbij wijst verweerder erop dat eiser in Zweden geregistreerd staat onder een andere naam, geboortedatum en nationaliteit. In Zweden staat eiser geregistreerd onder de Soedanese nationaliteit in plaats van de door eiser in Nederland opgegeven Eritrese nationaliteit. Verweerder gaat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit van de juistheid van de Zweedse registratie.
7. Eisers overige asielmotieven, de militaire dienstplicht en illegale uitreis, zijn door verweerder niet getoetst, omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst als ongeloofwaardig zijn aangemerkt.
Het standpunt van eiser
8. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat hij juist heeft verklaard over zijn nationaliteit. Eiser is weliswaar geboren in Soedan, maar heeft de nationaliteit van Eritrea. Daar is eiser ook opgegroeid. Het is hem nog niet gelukt documenten te bemachtigen om zijn identiteit te onderbouwen. Verweerder heeft het besluit enkel gebaseerd op de foutieve registratie in Zweden. Van die registratie ontbreken stukken. Verweerder heeft verder niet goed gemotiveerd waarom niet is meegenomen dat eiser de Eritrese taal spreekt en uitgebreid kon verklaren over zijn woonomgeving in Eritrea. Ook heeft eiser verweerder toestemming gegeven voor een onderzoek naar zijn registratie bij de Verenigde Naties (VN), maar dit onderzoek is nooit uitgevoerd. Tot slot meent eiser dat het niet aan hem kan worden tegengeworpen dat hij zich - in het kader van de Dublinprocedure - heeft onttrokken aan het toezicht tijdens de overdrachtsperiode aan Zweden, omdat hij niet op de hoogte is van procedurele kwesties.
De registratie van eisers gegevens in Zweden
9. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is als verweerder een leeftijdsregistratie in een andere EU-lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling wil betrekken. Daarmee is de Afdeling teruggekomen van haar oordeel in eerdere rechtspraak.
10. Verweerder heeft zich onder meer beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel met betrekking tot eisers registratie in Zweden en gesteld bekend te zijn met de uitspraak van de Afdeling over leeftijdsregistratie. Verweerder stelt dat deze uitspraak in deze zaak niet van toepassing is, omdat eiser meerderjarig is en de uitspraak van de Afdeling alleen ziet op minderjarige vreemdelingen.
10. Hoewel het in deze zaak het niet (alleen) draait om de juistheid van de geregistreerde geboortedatum, maar ook overige identiteitsgegevens en met name de nationaliteit, is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak van de Afdeling ook op deze situatie van toepassing is. Het betreft gegevens die op een vergelijkbare manier worden geregistreerd en uitgewisseld in de Europese database (Eurodac) door de lidstaten. In r.o. 6.8.3. geeft de Afdeling aan dat het een informatie-uitwisseling betreft die alleen de administratieve samenwerking tussen lidstaten dient: “Uit de Dublinverordening volgt niet wat de juridische waarde is van de uitgewisselde persoonsgegevens en die verordening zegt dus niets over de waarde die een lidstaat mag hechten aan deze informatie, waaronder de leeftijd van een vreemdeling, bij de beoordeling van een asielverzoek in een andere lidstaat.” Uit de woorden “waaronder” leidt de rechtbank af dat deze uitspraak ziet op alle persoonsgegevens die door de lidstaten worden geregistreerd in Eurodac. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder ten aanzien van de juistheid van de gegevens die hij heeft verkregen uit Zweden niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De stelling van verweerder dat de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling alleen zou zien op minderjarige vreemdelingen wordt niet gevolgd omdat dit niet valt af te leiden uit die uitspraak.
12. Dat niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, betekent niet dat geen gewicht toekomt aan de registratie van persoonsgegevens in een andere lidstaat. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst moeten worden beoordeeld met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Het uitgangspunt is dat het aan de vreemdeling is om zijn identiteit aannemelijk te maken. Verweerder dient een vreemdeling in de bewijslast tegemoet te komen, op grond van de samenwerkingsplicht. Als blijkt dat de vreemdeling in een andere EU-lidstaat is geregistreerd, zal verweerder steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Ook zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de registratie is gebaseerd. Als aan een registratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder zich moeten laten informeren over de omstandigheden waaronder deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn andere verklaringen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen.
13. Hoewel verweerder ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, hoefde verweerder in dit specifieke geval geen nader onderzoek te doen. Eiser heeft in zijn gehoor namelijk aangegeven dat hij in Zweden in het bezit was van een kopie van zijn Eritrese identiteitskaart. Die kopie heeft eiser aan de Zweedse autoriteiten laten zien, hoewel de Zweedse autoriteiten daarmee volgens eisers verklaring niets wilden doen. Verder blijkt uit de acceptatie van het claimakkoord door Zweden op grond van artikel 18, lid 1, aanhef en onder d van de Dublinverordening en uit het nader gehoor van eiser (pagina 4) dat eisers asielaanvraag in een procedure is behandeld in Zweden. Uit de gegevens in Eurodac kan worden afgeleid dat daarbij is uitgegaan van de Soedanese nationaliteit. Deze gegevens maken dat verweerder terecht twijfelt aan eisers verklaring. Dan is het aan eiser – op wie in beginsel de bewijslast rust – die twijfel weg te nemen en aannemelijk te maken dat de Zweedse registratie onjuist is. Er is niet gebleken dat eiser enige inspanning heeft geleverd om de twijfel bij verweerder weg te nemen. Omdat eiser de twijfel niet heeft weggenomen, mocht verweerder waarde toekennen aan de registratie van eiser in Zweden.
14.
Conclusie
18. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Daarbij concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit niet goed is gemotiveerd, omdat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel als grondslag heeft gebruikt. Dit leidt echter niet tot een andere uitkomst, zoals hiervoor is geoordeeld. De rechtbank zal daarom aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Dat artikel regelt dat een besluit, ondanks schending van een rechtsregel, in stand kan worden gelaten als iemand niet is benadeeld. Vanwege het gebrek ziet de rechtbank wel aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
19. Omdat de asielaanvraag terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond, zijn daarmee het terugkeerbesluit en het inreisverbod terecht opgelegd door verweerder. Dit volgt uit artikel 61, eerste lid en 62, tweede lid, aanhef en onder b van de Vw respectievelijk artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2024 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw).
Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:3992.
Verordening 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
Zo volgt uit artikel 31 van de Vw en artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn.
In lijn met r.o. 7.1 – 7.3 van de in voetnoot 4 genoemde uitspraak van de Afdeling.
Rapport nader gehoor, p. 5.
De motiveringsplicht volgt uit artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).