Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:214
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,074 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.14137
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2024 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. E. Maalsen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 mei 2023 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het door eiseres ingediende verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, op 29 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen nog nadere stukken in te dienen. Dit heeft de staatssecretaris gedaan en eiseres heeft hier op 4 juli 2023 op gereageerd.
1.2.
Bij uitspraak van 12 juli 2023 heeft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toegewezen en het overdrachtsbesluit geschorst, in afwachting van een uitspraak van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats. Inmiddels heeft de meervoudige kamer op 13 november 2023 uitspraak gedaan en daarbij verwezen naar uitspraken van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 september 2023. De rechtbank heeft aan partijen gevraagd of zij kunnen instemmen met een uitspraak zonder nadere zitting. Partijen hebben hiermee ingestemd dus doet de rechtbank uitspraak zonder nadere zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres omdat Kroatië verantwoordelijk is voor haar asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan, omdat uit gegevens van Eurodac bleek dat eiseres een asielaanvraag heeft gedaan in Kroatië. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Is de besluitvorming in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel?
5. Eiseres voert aan dat de besluitvorming in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Zo geeft eiseres tijdens het gehoor in de aanmeldfase aan geen herinnering te hebben aan Kroatië en niet te weten dat zij hier asiel heeft aangevraagd. Dit had voor de staatssecretaris aanleiding moeten zijn voor het doen van nader onderzoek naar (het verloop van) de procedure in Kroatië, aldus eiseres. Bovendien heeft eiseres haar bezwaren tegen een eventuele overdracht naar Kroatië in het gehoor niet naar voren kunnen brengen nu zij geen weet heeft van de procedure in Kroatië. Daar komt bij dat haar tijdens een eerder verhoor door de politie nog was meegedeeld dat zij in Hongarije asiel zou hebben gevraagd. Eiseres voert verder aan dat de staatssecretaris ten onrechte een voornemen heeft uitgebracht zonder af te wachten of de Kroatische autoriteiten zouden instemmen met het op dezelfde dag als het voornemen verzonden claimverzoek. Daarbij is ook van belang dat op het moment dat het voornemen werd uitgebracht, eiseres en haar gemachtigde nog niet in de gelegenheid waren geweest om het aanmeldgehoor te bespreken en daarop correcties en aanvullingen in te dienen, aldus eiseres.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris het bestreden besluit voldoende zorgvuldig voorbereid. Voor zover eiseres betoogt dat de staatssecretaris geen voornemen mocht uitbrengen voordat zij het gehoor met haar gemachtigde kon bespreken, volgt de rechtbank dat niet. Uit het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt namelijk dat het rapport van gehoor uiterlijk met het voornemen wordt verzonden waarna de vreemdeling correcties en aanvullingen op het gehoor en een zienswijze tegen het voornemen kan indienen. Dat is in dit geval gebeurd. Overigens heeft eiseres slechts twee correcties aangebracht die niet raken aan de bevoegdheid van Kroatië of de mogelijkheid voor eiseres om terug te keren naar Kroatië. Dat op het moment van het voornemen nog geen claimakkoord was ontvangen van de Kroatische autoriteiten leidt ook niet tot het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Er was namelijk een treffer in Eurodac, eiseres was gehoord en het voornemen bestond om eiseres over te dragen aan Kroatië. De rechtbank ziet niet in waarom de staatssecretaris onder die omstandigheden zou moeten wachten met het uitbrengen van een voornemen zolang het claimakkoord nog niet door hem is ontvangen, zeker gelet op de korte termijnen in Dublinzaken.
5.1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris ook verder geen onderzoek hoeven doen naar de procedure die eiseres in Kroatië heeft doorlopen, of eiseres aanvullende vragen hoeven stellen. De staatssecretaris mag in beginsel uitgaan van de juistheid van de gegevens die in Eurodac staan. Uit die gegevens blijkt dat eiseres een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend in Kroatië. Het enkele feit dat zij de naam van het land waar zij een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend niet weet, maakt dit niet anders. Te meer nu zij in het Dublingehoor wel heeft aangegeven twee weken in een land in Europa te zijn verbleven vóór zij verder trok naar Nederland. Over haar ervaringen in dat land, Kroatië, is zij vervolgens bevraagd.
Is Kroatië verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiseres?
6. Eiseres voert aan dat Kroatië zich niet daadwerkelijk verantwoordelijk houdt voor de behandeling van de asielaanvraag omdat in het claimakkoord staat dat Kroatië overeenstemt met terugname ‘om door te gaan met het bepalen van de verantwoordelijkheid’.
6.1.
Dit betoog treft geen doel. Zoals hiervoor overwogen blijkt uit Eurodac dat eiseres een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend in Kroatië. Eiseres heeft niet genoeg aangevoerd om niet langer van de gegevens van Eurodac uit te kunnen gaan. Eiseres voert aan dat Kroatië akkoord is gegaan met terugname van eiseres op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening (Dvo). Uit de bewoordingen van dat artikel blijkt dat een claimakkoord dat gebaseerd is op dit artikellid ziet op de situatie waarin een vreemdeling een asielaanvraag heeft gedaan in een lidstaat en die lidstaat heeft verlaten gedurende het proces van het onderzoek naar de vraag of mogelijk een andere lidstaat verantwoordelijk is. Op grond van dit artikel is Kroatië verplicht eiseres terug te nemen om de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming af te ronden. Dat de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiseres daarmee nog niet onherroepelijk vast staat, doet niet af aan de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit.
Kan voor Kroatië worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
7. Eiseres voert aan dat voor Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 juni 2023. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat de informatie waarop de staatssecretaris zich baseert waardoor volgens hem nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Kroatië uitgegaan kan worden niet genoeg is om de twijfel rond het risico dat Dublinclaimanten bij overdracht aan Kroatië lopen, weg te nemen. Deze informatie is namelijk tegenstrijdig aan de openbare bronnen waarop de Afdeling haar uitspraken van 13 april 2022 heeft gebaseerd. Volgens de rechtbank dient er nader onderzoek te worden verricht naar het risico dat Dublinclaimanten lopen om slachtoffer te worden van pushbacks.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat er voor Kroatië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De rechtbank volgt in haar oordeel de uitspraak van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats. In die uitspraak is de Afdelingsuitspraak van 23 september 2023 betrokken waarin werd overwogen dat de staatssecretaris door het nader onderzoek dat hij heeft verricht de vrees dat Dublinclaimanten slachtoffer worden van pushbacks weggenomen. Uit het onderzoek dat de staatssecretaris heeft verricht blijkt namelijk dat Dublinclaimanten die worden overgedragen aan Kroatië, worden opgenomen in de nationale asielprocedure. Vreemdelingen die zijn opgenomen in de nationale procedures worden – zoals blijkt uit de informatie die ten grondslag ligt aan de Afdelingsuitspraak – geen slachtoffer van pushbacks.
Kan eiseres een geslaagd beroep doen op artikel 17 van de Dublinverordening?
8.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de asielaanvraag van eiseres terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Engberts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem 13 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20484.
ABRvS 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411 en ECLI:NL:RVS:2023:3479.
Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit artikel 3.109c, leden 8 en 9, van het Vb 2000 en paragraaf C1/2.6 van de Vc 2000.
Verslag van het Dublingehoor, p. 7.
Zie ook: HvJ EU 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280 (H. en R.), par. 47-50.
Rechtbank Den Haag 1 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:7776.
ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1042 en ECLI:NL:RVS:2022:1043.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem 13 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20484.
ABRvS 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411 en ECLI:NL:RVS:2023:3479.
HvJ EU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K.).