Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:21399
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
885 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.41203
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker]
, verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. F.W. Verweij)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verzoeker heeft op 21 oktober 2024 een beroep tegen niet tijdig beslissen ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel ‘familie en gezin’ (hierna: de aanvraag).
Op 4 november 2024 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvraag.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft op
27 november 2024 gereageerd op het verzoek en aangegeven bereid te zijn de proceskosten van verzoeker te vergoeden.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Verweerder heeft de aanvraag op 20 juni 2024 ontvangen. Verweerder moet uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag beslissen.1 Bij brief van 11 juli 2024 heeft verweerder de beslistermijn met drie maanden verlengd. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 18 december 2024 op de aanvraag had moeten beslissen.
4. Eiser heeft verweerder op 2 oktober 2024 in gebreke gesteld. Deze ingebrekestelling was dus prematuur, hetgeen zou hebben geleid tot een niet-ontvankelijk beroep.
5. Omdat er geen sprake zou zijn geweest van een ontvankelijk beroep, is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake van een situatie waarin verweerder geheel of gedeeltelijk is tegemoetkomen aan het beroep van verzoeker, in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen. Verweerder hoeft het door eiser betaalde griffierecht niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek tot proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
1 Artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
t