Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:21373
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,637 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47655
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).
Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk in de Franse taal is verschenen K.A.J. Smit. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat zich in het dossier geen stukken bevinden waaruit blijkt op welke wijze eiser met de Nederlandse autoriteiten in contact is gekomen. Uit het zich onder de dossierstukken bevindende API ALERT volgt dat de daarin genoemde vreemdelingen, waaronder eiser, bij aankomst zijn opgewacht. Ten onrechte is het API ALERT gebruikt om de verwachte asielaanvragen te stroomlijnen, hetgeen als misbruik van bevoegdheden moet worden aangemerkt. Ook is ten onrechte van dit voortraject geen proces-verbaal opgemaakt. Verder moet het ervoor gehouden worden dat de lounge aanwijzing niet in een taal die eiser begrijpt aan hem is bekendgemaakt. In die aanwijzing is immers opgenomen dat deze “al dan niet door tussenkomst van een tolk” is bekendgemaakt.
Daarnaast wordt betoogd dat het aanmeldcentrum te Schiphol niet langer als een gespecialiseerde inrichting in de zin van artikel 10 van de Opvangrichtlijn kan worden aangemerkt. Ter onderbouwing van deze stelling wordt verwezen naar de uitspraken van rechtbank Amsterdam van 11 december 2024, waarin in gelijksoortige gevallen als dat van eiser het beroep om deze reden gegrond is verklaard, de opheffing van de maatregel is bevolen en een schadevergoeding is toegekend.
De rechtbank overweegt als volgt.
In het dossier bevindt zich een API ALERT-melding waarin is opgenomen dat een aantal vreemdelingen, waaronder eiser, op 18 november 2024 met vlucht AT850/241118 vanuit Casablanca op de luchthaven Schiphol zouden aankomen. In deze melding wordt het KMar personeel dat belast is met grensbewaking geattendeerd op het feit dat zich op deze vlucht mogelijk vreemdelingen bevinden die hier te lande een asielaanvraag willen indienen en wordt verzocht de in het alert opgenomen documentcontroles uit te voeren en de resultaten hiervan te delen met de collega’s van de afdeling Asiel.
Bovengenoemd alert ziet op het delen van informatie in verband met de verhoogde instroom van verblijfsaanvragen van passagiers uit diverse Midden- en Westafrikaanse landen die via de luchthaven Casablanca reizen. Van de in het alert opgenomen personen waren bij het aan boord gaan van het vliegtuig de personalia aan de hand van hun reisdocumenten bekend.
Naar het oordeel van de rechtbank is het API ALERT afgegeven ter informatie en ondersteuning van het KMar personeel dat belast is met grenscontrole en is deze informatie relevant in het kader van het grensbewakingsbelang. Dat deze informatie ook van belang kan zijn bij een eventuele asielaanvraag, maakt niet dat ongeoorloofd gebruik is gemaakt van het API ALERT.
Verder bevindt zich onder de dossierstukken de aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vb van 18 november 2024, waarin eiser wordt opgedragen zich tot 19 november 2024 te 08.00 uur op te houden in de internationale lounge op de luchthaven Schiphol.
In de aanwijzing is opgenomen dat de inhoud hiervan aan eiser is medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal. Anders dan eisers gemachtigde ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat alleen met gebruikmaking van een tolk sprake kan zijn van een voor eiser begrijpelijke taal. Niet gebleken is dat eiser de aanwijzing niet heeft begrepen, zeker nu uit het proces-verbaal bij aanvraag asiel blijkt dat eiser zich aan de in de aanwijzing opgenomen voorwaarden heeft gehouden.
Ten slotte is namens eiser – samengevat weergegeven - betoogd dat het JCS, met de manier waarop de maatregel thans ten uitvoer wordt gelegd, niet langer kan worden gezien als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Hierbij is doorslaggevend dat de vreemdelingen op het JCS sinds kort aanzienlijk langer op hun kamer moeten blijven: nu worden zij dagelijks om 16:30 uur op hun kamer ingesloten tot de volgende ochtend 08:00 uur. Namens eiser is verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 11 december 2024, waarin de grensdetentie om die reden onrechtmatig werd geacht en is opgeheven.
De rechtbank overweegt dat ook artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn (Tri) voorschrijft dat voor vreemdelingenbewaring gebruik moet worden gemaakt van speciale inrichtingen. In het arrest Landkreis Gifhorn heeft het Hof van Justitie uitleg gegeven over wat dit begrip speciale inrichting voor bewaring inhoudt en ook onder welk soort omstandigheden volgens de Terugkeerrichtlijn een uitzondering kan worden gemaakt op de verplichting om vreemdelingenbewaring ten uitvoer te leggen in dergelijk gespecialiseerde inrichtingen en gebruik kan worden gemaakt van gewone gevangenissen.
In de uitspraak van de ABRS van onder andere 21 augustus 2023 is geoordeeld dat als sprake is van een gespecialiseerde inrichting in de zin van artikel 16, eerste lid van de Tri, de rechtbank niet kan oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen dat detentiecentrum. Daarvoor staat een andere rechtsgang open.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een klacht over de feitelijke toepassing van het regime en dat de rechtbank dus niet bevoegd is hierover te oordelen. Verweerder benadrukt dat de verlengde insluitingsduur weliswaar onwenselijk is, maar dat dat niet betekent dat niet langer sprake is van een gespecialiseerde inrichting in de zin van de Tri. Ten slotte is aangegeven dat tot vervroegde insluiting moest worden overgegaan omdat er onvoldoende personeel beschikbaar is om ook een avondprogramma te begeleiden. Verweerder heeft benadrukt dat het slechts een tijdelijke situatie is. De verwachting is dat het aantal vreemdelingen in het JCS zal afnemen, door verminderde instroom en overplaatsingen, zodat niet langer vijf afdelingen behoeven te worden bemand. Niet in geschil is dat de huidige situatie al enkele weken duurt en verweerder heeft niet kunnen aangeven hoe lang de situatie nog zal voortduren.
De rechtbank overweegt evenwel dat de beroepsgronden over voornoemde verlengde dagelijkse insluiting op de kamer geen klachten over de feitelijke toepassing van het regime betreffen, maar dat het gronden zijn gericht tegen onderdelen van het algemene vreemdelingenbewaringsregime in het JCS, die zouden maken dat het JCS als geheel niet langer kan worden gekwalificeerd als gespecialiseerde inrichting voor vreemdelingenbewaring in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Tri/artikel 10 van de Opvangrichtlijn. Het gaat immers om een wijziging in de algemene regels, die op dit moment voor alle vreemdelingen in het JCS gelden en een onbepaalde geldigheidsduur hebben.
De rechtbank dient zich dan ook wel degelijk uit te laten over de vraag of het JCS onder dit regime nog langer als gespecialiseerde inrichting in voornoemde zin kan worden gekwalificeerd, of dat het zodanig veel lijkt op een gemiddeld gevangenisregime dat niet meer kan worden gesproken van een gespecialiseerde inrichting.
Na het vervroegen van de dagelijkse insluitingstijd van 22:00 uur naar 16:30 uur in combinatie met het verplicht lunchen op de kamer constateert de rechtbank dat de vreemdeling daarmee 16 uur per dag gedwongen op de kamer doorbrengt. Daarnaast is niet in geschil dat hij maximaal 1 uur in de buitenlucht kan doorbrengen. Dit is vergelijkbaar met een gevangenisregime.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, gegrond;
gelast per omgaande de maatregel ten uitvoer te leggen op een andere bewaringsaccommodatie;
veroordeelt verweerder om aan de vreemdeling bij wijze van schadeloosstelling
€ 900,- (zegge: negenhonderd euro) te betalen;
verklaart het door de vreemdeling ingestelde beroep voor het overige ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van J.J. Brands, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Onder meer de uitspraak inzake NL24.47086.
Richtlijn 2013/33/EU
ECLI:NL:RBDHA:2024:20829
Richtlijn 2008/115/EU
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 maart 2022, ECLI:EU:C:2022:178.
ECLI:NL:RVS:2023:3184