Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:21239
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,453 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.34655
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Inleiding
Bij besluit van 3 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen mr. A.K.E. van den Heuvel, als waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1974 en de Syrische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 27 maart 2024 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Verweerder heeft daarom de Zweedse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Zweedse autoriteiten hebben dit verzoek op 24 mei 2024 geaccepteerd.
3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Eiser stelt allereerst dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat het besluit onbevoegd is genomen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, terwijl met ingang van 2 juli 2024 de minister van Asiel en Migratie bevoegd is. Verder heeft verweerder ten onrechte eisers asielaanvraag niet op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling genomen. Overdracht aan Zweden getuigt van onevenredige hardheid. Eiser heeft kinderen die in Turkije verblijven. Als eiser in Zweden een asielvergunning krijgt zal hij in Zweden, vanwege een verschil in regelgeving, niet met hen herenigd kunnen worden. Ook heeft eiser familie in Nederland.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Met ingang van 2 juli 2024 is de bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht gewijzigd van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt vast, en dit is door verweerder ter zitting overigens ook niet bestreden, dat het bestreden besluit van 3 september 2024 ten onrechte is genomen uit naam van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek. De beroepsgrond slaagt in zoverre. De rechtbank is echter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 februari 2007, van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat eiser door de onjuiste ondertekening in zijn belangen is geschaad.
5. Verweerder heeft verder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Ook Zweden is gehouden aan de Gezinsherenigingsrichtlijn en voor zover Zweden zich daar niet aan zou houden, kan eiser daarover klagen bij de Zweedse autoriteiten. Het is begrijpelijk dat eiser zich grote zorgen maakt over zijn gezin, maar dat is geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 17 van de Dublinverordening. Dat eiser familie heeft in Nederland leidt evenmin tot een ander oordeel. Verweerder heeft in dat verband mogen betrekken dat de Dublinprocedure niet als route kan worden gebruikt om op reguliere gronden gezinshereniging te bewerkstelligen
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Vanwege het onder punt 4 geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 875,-.
Deze uitspraak is gedaan op 13 december 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU nr. 604/2014.
ECLI:NL:RVS:2007:AZ9588.