Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:21235
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,137 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1662
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder.
Inleiding
Bij besluit van 3 juli 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag dat eiser aan uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangt per 1 juni 2023 verlaagd met het bedrag dat eiser aan prepensioen ontvangt.
Bij besluit van 2 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. Verweerder is -met bericht- niet verschenen.
Beoordeling
1. Eiser was sinds 1 januari 2002 werkzaam bij het Uwv. Daarvoor was eiser vanaf 1980 werkzaam bij de rechtsvoorganger van het Uwv, het GAK. Op 11 januari 2023 is een vaststellingsovereenkomst getekend over de beëindiging van het dienstverband van eiser. Vanaf 1 februari 2023 ontvangt eiser prepensioen. Het dienstverband met het Uwv is per 1 juni 2023 beëindigd.
2. Nadat eiser op 15 juni 2023 een aanvraag voor een WW-uitkering had ingediend, heeft verweerder bij besluit van 16 juni 2023 aan eiser per 1 juni 2023 een WW-uitkering toegekend.
3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het bedrag dat eiser aan WW-uitkering ontvangt per 1 juni 2023 verlaagd met het bedrag dat eiser aan prepensioen ontvangt. Dit besluit heeft verweerder bij het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het prepensioen is aan te merken als inkomen en daarom in mindering moet worden gebracht op de WW-uitkering. Eiser valt volgens verweerder niet onder de uitzonderingen die in het Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten (Aib) worden genoemd op grond waarvan de korting achterwege moet blijven.
4. Eiser voert aan dat als hij tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd in dienst was gebleven bij het Uwv, het prepensioen was uitbetaald als financieel extraatje op zijn AOW-uitkering. Omdat hij echter per 1 juni 2023 werkloos werd, werd hij door het pensioenfonds verplicht het prepensioen uit te laten betalen. Dit prepensioen wordt nu als inkomen gezien en op zijn WW-uitkering gekort. Eiser vindt dit onrechtvaardig. Hij heeft hiervoor immers zijn gehele dienstverband van meer dan 43 jaar gewerkt en gespaard.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1
In artikel 3:5, vierde lid, aanhef en onder a, van het Aib is bepaald dat een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, voor de WW als inkomen in verband met arbeid wordt beschouwd.
Ingevolge artikel 3:5, vijfde lid, van het Aib wordt, in afwijking van het vierde lid, onderdeel a, niet tot het inkomen in verband met arbeid gerekend de uitkering, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, indien die uitkering door de uitkeringsgerechtigde voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen en die samenhangt met een eerder verlies van arbeidsuren.
Ingevolge artikel 3:5, zevende lid, van het Aib wordt, in afwijking van het vierde lid, onderdeel a, niet tot inkomen in verband met arbeid gerekend een uitkering die door de uitkeringsgerechtigde reeds werd ontvangen voorafgaand aan het ontstaan van de dienstbetrekking waaruit het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan.
Ingevolge artikel 3:5, achtste lid, van het Aib wordt, in afwijking van het vierde lid, onderdeel a, niet tot inkomen in verband met arbeid gerekend het inkomen dat op grond van de Werkloosheidswet reeds in aanmerking genomen is voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
5.2.
Niet ter discussie staat dat het prepensioen is aan te merken als inkomen als bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, onderdeel a, van het Aib. In de artikelen 3:5, vijfde, zevende en achtste lid, van het Aib zijn de uitzonderingen hierop opgenomen. Uitsluitend in die gevallen wordt het prepensioen niet tot inkomen in verband met arbeid gerekend. De rechtbank stelt vast dat eiser niet valt onder één van deze uitzonderingen. Het door eiser ontvangen prepensioen moet daarom op grond van artikel 47 van de WW als inkomen in verband met arbeid gekort worden op de WW-uitkering van eiser.
5.3.
Eiser stelt dat het onrechtvaardig is dat als gevolg van het verlies van zijn baan zijn prepensioen wordt gekort op zijn WW-uitkering, terwijl als hij zijn baan had gehouden hij het volledige prepensioen bovenop zijn AOW-uitkering zou hebben ontvangen. Eiser meent dat dit reden moet geven om van het Aib in zijn voordeel af te wijken. De rechtbank volgt eiser hier niet in. Het Aib kent geen hardheidsclausule en geeft de rechter geen ruimte om van het Aib af te wijken.
5.4.
Uit de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 volgt dat, wanneer het zoals hier gaat om een gebonden besluit dat is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift, bijzondere omstandigheden kunnen maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval voor een belanghebbende zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat uiteindelijk (‘onder de streep’) moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid (evenredigheid ‘stricto sensu’). Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is.
5.5
De rechtbank begrijpt dat de korting op de WW-uitkering negatieve financiële gevolgen heeft voor eiser. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij als gevolg van de korting € 275,- per maand minder aan WW-uitkering ontvangt, maar het is de rechtbank niet gebleken dat eiser als gevolg hiervan in financiële nood is komen te verkeren. Ook is niet van andere omstandigheden gebleken waaruit volgt dat het financiële nadeel als onevenredig moet worden beoordeeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit niet onredelijk bezwarend voor eiser moet worden geacht.
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de inkomsten uit eisers pre-pensioen in mindering gebracht op de WW-uitkering.
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CBB:2024:190