Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:21157
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,806 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.33218
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. Hij heeft op 7 augustus 2019 een asielaanvraag ingediend. Die aanvraag is bij besluit van 18 juni 2021 afgewezen als ongegrond. Dat besluit staat in rechte vast. Eiser heeft op 19 december 2023 een herhaalde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 augustus 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I. Omwuegbuchu als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij niet kan terugkeren naar Nigeria omdat hij biseksueel is.
Het bestreden besluit
5.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
eisers biseksualiteit.
5.2.
De minister acht het eerste element geloofwaardig. Het tweede element acht de minister ongeloofwaardig. Volgens de minister doet het feit dat eiser in de vorige procedure niet heeft verteld dat hij ook gevoelens heeft voor mannen bij voorbaat af aan de geloofwaardigheid van eisers relaas. Eiser verklaarde in de vorige procedure dat hij niet homoseksueel is, maar dat dit in Nigeria wel aan hem wordt toegedicht. Verder missen de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid volgens de minister diepgang over zijn emotionele ervaringen en innerlijke gevoelens, omdat eiser vooral verklaart over seksuele handelingen en fysieke aantrekking. Ook heeft eiser oppervlakkig en tegenstrijdig verklaard over zijn relaties. Daarnaast zijn de gestelde gebeurtenissen in Nigeria (inval op een feest waar eiser met andere mannen aanwezig was) in de vorige procedure al ongeloofwaardig geacht. De minister acht de stukken die eiser heeft overgelegd (onder meer over activiteiten in Nederland, verklaringen van zijn gestelde partners en de steunbetuigingen van derden) onvoldoende om de biseksualiteit toch geloofwaardig te achten. De minister hecht ook geen waarde aan het online artikel van IKA World News, omdat over het (papieren) krantenartikel in de vorige procedure door Bureau Documenten (BD) is geoordeeld dat de krant met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet in deze verschijningsvorm is uitgegeven en dat derhalve niet kan worden vastgesteld of het document echt is. Dit oordeel staat in rechte vast. De minister concludeert daarom tot afwijzing van de asielaanvraag.
Voorbereiding van het besluit
6. Eiser stelt dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Eiser voert daartoe aan dat de correcties en aanvullingen van 1 januari 2024 ten onrechte niet zijn meegenomen. Verder heeft de minister hem ten onrechte niet op zijn verzoek de dossierstukken toegestuurd. Uit de toelichting ter zitting blijkt dat eiser hiermee met name doelt op de stukken die door derden zijn ingediend, en die zijn besproken in het aanvullend gehoor van 16 mei 2024.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel in het besluit op p. 2 staat dat eiser geen correcties en aanvullingen heeft ingediend blijkt verderop in het besluit, op p. 6, 7 en 11, dat de correcties en aanvullingen wel zijn meegenomen. Verder heeft eiser in de beroepsgronden en op de zitting niet nader geconcretiseerd waarom de correcties en aanvullingen tot een ander standpunt hadden moeten leiden. De rechtbank stelt verder vast dat de stukken die in het aanvullend gehoor van 16 mei 2024 zijn besproken, door eiser zelf zijn ingebracht. Het lag daarom op de weg van de gemachtigde van eiser om bij eiser navraag te doen naar deze stukken. Uit het dossier blijkt immers dat de stukken niet door de minister zijn ingenomen, en dus nog in het bezit van eiser zouden moeten zijn. Ook van de overige dossierstukken heeft eiser uiteindelijk kennis kunnen nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheid biseksuele gerichtheid
7. Eiser stelt dat de minister zijn biseksualiteit ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser voert daartoe aan dat zijn verklaringen moeten worden beoordeeld in het licht van de documenten die hij heeft overgelegd, met name het online artikel. Eiser stelt dat dit online artikel objectief bewijs is, en dat de minister hier te gemakkelijk aan voorbijgaat. Volgens eiser mag de minister niet verwijzen naar de vorige procedure, omdat het online artikel een ander document is dan het krantenartikel dat destijds is beoordeeld. Ook is het volgens eiser mogelijk dat het krantenartikel in de vorige procedure onvoldoende is geacht vanwege gebrek aan ondersteunend bewijs, dat er nu wel is. De minister had ten minste in het aanvullend gehoor moeten doorvragen over het online artikel.
7.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij met het online nieuwsbericht en de overige overgelegde documenten zijn geaardheid en het risico bij terugkeer (alsnog) aannemelijk heeft gemaakt. Over het online artikel heeft de minister terecht opgemerkt dat dit gelijkluidend is met het krantenartikel dat eiser al in de eerdere procedure heeft ingebracht, en toen door BD is beoordeeld als: “met zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet in deze verschijningsvorm afgegeven.” Dat oordeel is tot in hoger beroep bevestigd.1 De minister hoefde aan het online artikel dan ook niet de waarde te hechten die eiser eraan toegekend wenst te zien. De minister mocht daarbij ook relevant vinden dat het artikel zou dateren uit 2016, maar pas in 2020 op internet is verschenen. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiser betoogt verder zijn verklaringen over zijn biseksualiteit passen bij hoe hij in elkaar zit en bij zijn beeld van relaties. Hij is nogal seksueel georiënteerd en ziet relaties meer als iets om aan zijn seksuele behoeften te voldoen. Hij heeft losse, kortstondige relaties. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de overgelegde verklaringen van zijn partners. De minister verwacht daarom ten onrechte van hem dat hij diepgaand verklaart.
8.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is het uitgangspunt dat de vreemdeling zijn gestelde seksuele gerichtheid vooral met zijn eigen verklaringen aannemelijk kan en moet maken2. Volgens (onder meer) de uitspraak van 4 augustus 20213 neemt dit echter niet weg dat bepaalde stukken kunnen dienen als ondersteunend bewijs. Dit betekent dat bepaalde stukken, afhankelijk van de door een vreemdeling afgelegde verklaringen, het overige bewijs en de daarover geformuleerde tegenwerpingen, ertoe kunnen leiden dat een vreemdeling zijn seksuele gerichtheid ondanks ontoereikende verklaringen toch aannemelijk heeft gemaakt. Dat is, ook volgens de uitspraak van 4 augustus 2021, in het bijzonder het geval waar het gaat om informatie van feitelijke aard of verklaringen van objectieve derden over feitelijk gedrag. Voor zover in stukken staat dat de opstellers ervan zelf niet twijfelen aan de seksuele gerichtheid van eiser, komt hieraan gelet op werkinstructie 2019/17 (WI 2019/17) en volgens vaste rechtspraak slechts beperkt gewicht toe4.
1. Uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:519.
2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2884.
3 ECLI:NL:RVS:2021:1754.
4 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885, en van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:977.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat in het besluit, waarvan het voornemen deel uitmaakt, uitgebreid is gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser ontoereikend worden geacht. Eiser heeft daartegen geen concrete beroepsgronden gericht.
Conclusie
12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit betekent dat de minister een vertrektermijn aan eiser heeft kunnen onthouden.5 De minister heeft ook terecht een inreisverbod uitgevaardigd.6
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
5 Artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw.
6 Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 november 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.