Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:21137
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,074 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.38138
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M. Taheri),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 niet in behandeling genomen omdat volgens de minister Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft zich via een bericht in het digitale dossier op 15 oktober 2024 om 11.14 uur afgemeld voor de zitting. Eiser was ook niet aanwezig.
Beoordeling
2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De rechtbank ziet zich (ambtshalve) voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
4. De gemachtigde van eiser schrijft in het bericht van 15 oktober 2024 dat zij wegens het ontbreken van elke vorm van communicatie met eiser, ondanks verscheidene pogingen, die dag niet op de zitting zou verschijnen en dat eiser met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting gekeken in het systeem, maar daaruit blijkt niet dat eiser mob uit de opvang is vertrokken. De gemachtigde van de minister heeft daarbij wel toegelicht dat het enkele dagen kan duren voordat dit gemeld wordt. De rechtbank stelt vast dat eiser ook niet op de zitting is verschenen.
6. Hoewel er dus (nog) geen mob-melding is in het systeem van de minister, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het bericht van de gemachtigde van eiser van 15 oktober 2024 en het niet-verschijnen van eiser op de zitting afdoende dat eiser geen contact heeft met zijn gemachtigde. Gelet op deze omstandigheden en de recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Conclusie
7. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
1 Uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 oktober 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.