Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:2105
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
794 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2980
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Selbach),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Procesverloop
1. Bij besluit van 25 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL24.2981, op 13 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
1.3
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
4. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het beroepschrift de gronden van beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, kan ingevolge artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4.1
De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift van 26 januari 2024 niet de gronden van beroep bevatte. Op 29 januari 2024 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser op het verzuim gewezen en verzocht dit uiterlijk op 5 februari 2024 te herstellen. Daarbij heeft de rechtbank er op gewezen dat het beroepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet, of niet tijdig, wordt voldaan aan de wettelijke vereisten.
4.2
De rechtbank stelt vast dat er (ook op 13 februari 2024) geen gronden zijn ingediend en dat niet is gebleken van een verschoonbare reden hiervoor. De rechtbank is verder ook niet gebleken van bijzondere omstandigheden, als bedoeld in het arrest Bahaddar, om van de onder 4 genoemde procedureregels af te wijken.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2024 door mr. A. de Gooijer, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kloppers, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.