Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-03
ECLI:NL:RBDHA:2024:21038
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,092 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15950
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 11 augustus 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 april 2024 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 oktober 2024, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer W. Fadl als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
4. De rechtbank gaat uit van het volgende. Met het besluit van 30 augustus 2022 is de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij internationale bescherming heeft in Roemenië. Op 21 december 2022 is dit besluit ingetrokken, omdat eiser in de beroepsfase een paspoort heeft overgelegd waarin is vermeld dat hij op [geboortedag] 2005 is geboren. Gelet hierop is eiser niet meerderjarig zoals in het besluit werd geconcludeerd. Naar aanleiding hiervan heeft de minister een onderzoek opgestart in Roemenië. Daar staat eiser geregistreerd met de geboortedatum [geboortedag] 2001 op basis van een echt bevonden paspoort. Hieruit volgt dat sprake is van twee echt bevonden paspoorten met een verschillende geboortedatum.
Welk moment is doorslaggevend voor de vaststelling van de leeftijd van eiser in Nederland?
5. Eiser voert aan dat hij al op het moment van indiening van zijn asielaanvraag heeft verklaard dat hij in 2005 is geboren. Daarvan uitgaande was hij toen zestien jaar en dus minderjarig. Hij stelt onder verwijzing naar het arrest A en S dat de datum van de aanvraag leidend moet zijn voor de vraag of bescherming verleend moet worden. Aangezien het peilmoment het moment van indiening van de aanvraag is, moet eiser worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar. Los van de minderjarigheid, stelt eiser kwetsbaar te zijn door het overlijden van zijn vader en door alles wat hij heeft meegemaakt in Roemenië. Als hij naar Roemenië terug moet keren, zal hij terecht komen in een situatie van vergaande materiële deprivatie. In dit kader verwijst eiser naar het arrest Ibrahim e.a tegen Duitsland.
5.1.
Volgens de minister moet worden uitgegaan van de leeftijd van eiser ten tijde van het bestreden besluit. Hierdoor is de gestelde kwetsbaarheid van eiser nu geen punt van geschil meer omdat hij inmiddels, ook uitgaande van de geboortedatum van [geboortedag] 2005, meerderjarig is.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank had de minister de datum van de asielaanvraag als uitgangspunt moeten nemen bij de vaststelling of sprake is van minderjarigheid, en daarmee bijzondere kwetsbaarheid, bij eiser. In het door eiser genoemde arrest A en S heeft het Hof uitgelegd hoe artikel 2, aanhef en onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn in het kader van nareis moet worden toegepast. Kort gezegd blijkt uit dit arrest dat indien een onderdaan van een derde land of staatloze die op het tijdstip van zijn aankomst op het grondgebied van een lidstaat en de indiening van zijn asielverzoek in die staat minder dan 18 jaar oud was, maar die gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt en vervolgens wordt erkend als vluchteling, moet worden gekwalificeerd als “minderjarige” in de zin van die bepaling.
5.2.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze jurisprudentielijn van het Hof naar analogie op de Kwalificatie- en Procedurerichtlijn kan worden toegepast. Hieruit volgt dat het standpunt van de minister, dat het peilmoment voor de vaststelling van de leeftijd van eiser in de onderhavige zaak de datum van het bestreden besluit is, geen stand kan houden. Tegen die achtergrond had de minister moeten uitgaan van eisers minderjarigheid en moeten beoordelen of hij (mede daarom) moet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar en hierdoor in Roemenië het risico liep op zeer vergaande materiële deprivatie. Als anders zou worden geredeneerd, en uitgegaan zou worden van de datum van het bestreden besluit, dan bestaat de kans dat de minister de besluitvorming van dergelijke minderjarigen aanhoudt tot het moment dat zij meerderjarig zijn, om zo in het kader van de beoordeling van de materiële deprivatie de discussie rondom de bijzondere kwetsbaarheid als gevolg van minderjarigheid te omzeilen. Een dergelijke uitkomst zou, mede bezien tegen de achtergrond van het doeltreffendheidsbeginsel en het recht op effectieve rechtsbescherming, onaanvaardbaar zijn. De beroepsgrond slaagt.
Mocht de minister uitgaan van de leeftijdsregistratie in Roemenië?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij op het moment van indiening van zijn asielaanvraag minderjarig was en dit in Nederland ook heeft aangetoond met documenten. Hij heeft namelijk een paspoort en een geboorteakte overgelegd waaruit blijkt dat hij op [geboortedag] 2005 is geboren. De minister had volgens eiser niet zonder nader onderzoek kunnen uitgaan van de in Roemenië geregistreerde geboortedatum. De minister heeft namelijk veel gewicht toegekend aan wat er in Roemenië is geregistreerd over het daar gebruikte paspoort, terwijl er geen kopie is van dit document. In geval van twijfel had de minister volgens eiser medisch onderzoek moeten (laten) doen en wanneer daarna nog steeds twijfel bestond over zijn leeftijd dan had de minister moeten uitgaan van zijn minderjarigheid.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat terecht van eisers meerderjarigheid is uitgegaan. Er was sprake van twee echt bevonden paspoorten met verschillende geboortedata. Volgens de minister kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Roemenië heeft op basis van een echt bevonden paspoort de geboortedatum geregistreerd. Bovendien is zowel door de AVIM als de IND onafhankelijk van elkaar op basis van een leeftijdsschouw geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Niet wordt ingezien dat sprake is van strijd met artikel 25 lid 5 van de Procedurerichtlijn, omdat er geen twijfel bestaat en medisch onderzoek ook niet nodig is.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet zonder meer van de juistheid van eisers leeftijdsregistratie ([geboortedag] 2001) in Roemenië, heeft mogen uitgaan.
De Afdeling is namelijk in de uitspraak van 9 oktober 2024 teruggekomen van haar eerdere rechtspraak dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in principe mag uitgaan van de juistheid van de registratie van een geboortedatum in een andere EU-lidstaat en dat het aan een vreemdeling is om aannemelijk te maken dat die geboortedatum onjuist is. De Afdeling is nu van oordeel dat de minister zich niet kan beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel als hij een leeftijdsregistratie in een andere EU-lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling wil betrekken.
6.2.1.
Dit betekent echter niet dat geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. De leeftijd van een vreemdeling zal dan namelijk moeten worden beoordeeld met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Daarbij zal de minister steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Ook zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister zich moeten laten informeren over de omstandigheden waaronder deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn andere verklaringen.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en artikel 3.109d, tweede lid Vb, uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 25 lid 5, van de Procedurerichtlijn. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, dat is aan de minister. Ook draagt de rechtbank de minister niet op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij deze uitspraak in acht neemt.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 5 april 2024;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij deze uitspraak in acht wordt genomen;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Geregistreerd onder zaaknummer NL24.15951.
Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 12 april 2018, ECLI:EU:C:2018:248 (C-550/16).
Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219.
Richtlijn 2003/86/EG.
Zie r.o. 60 van arrest A en S.
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Richtlijn 2013/32/EU.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:3992.
Dit volgt uit de rechtsoverwegingen 6 tot en met 6.10.