Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:21037
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
948 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29025
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2024 heeft verweerder de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt om toewijzing van de voorlopige voorziening, om de behandeling van de bezwaarprocedure in Nederland af te wachten.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De asielaanvraag van verzoeker is bij besluit van 24 april 2023 kennelijk ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 augustus 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van verzoeker tegen dit besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft op 26 maart 2024 verzocht om toepassing van artikel 64 van de Vw.
2. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen omdat uit het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 22 april 2024 blijkt dat hij in staat is om te reizen.
3. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of er bij dit verzoek sprake is van procesbelang.
4. Verweerder heeft bij brief van 14 augustus 2024 de rechtbank laten weten dat verzoeker sinds 13 augustus 2024 door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) staat geregistreerd als met onbekende bestemming vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van verzoeker op 16 augustus 2024 om een reactie verzocht met een reactietermijn van twee weken. De gemachtigde van verzoeker heeft niet gereageerd.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De vreemdeling heeft in dat geval geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het verzoek om de voorlopige voorziening.
6. De rechtbank neemt gelet op het voorgaande aan dat verzoeker niet langer prijs stelt op een uitspraak op zijn verzoek. Verzoeker is met onbekende bestemming vertrokken en stelt daarmee geen prijs meer op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij wel prijs stelt op een uitspraak op zijn verzoek. Hierin is verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd.
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 12 december 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBDHA:2023:13304.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:RVS:2024:2662.