Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:21032
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,885 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK
DEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummer: C/09/675330 / FT RK 24/975
vonnis van 12 december 2024
in de zaak van
[naam]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
hierna: mevrouw [naam] ,
tegen
[bedrijfsnaam 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: [bedrijfsnaam 1] .
[bedrijfsnaam 2] B.V., vertegenwoordigd door LAVG Gerechtsdeurwaarders,
gevestigd te Breda,
hierna: [bedrijfsnaam 2] .
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [naam] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Zij heeft een voorstel gedaan aan haar schuldeisers, waarbij een deel van de vordering(en) wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft mevrouw [naam] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Feiten
1.1.
Mevrouw [naam] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van
€ 30.137,51 aan 25 schuldeisers. Het is mevrouw [naam] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de gemeente Den Haag heeft zij voor het laatst op 6 november 2024 een schuldregeling aangeboden (saneringsakkoord). Dit voorstel houdt in dat aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering ineens wordt aangeboden van 25,36% en aan de gewone schuldeisers een uitkering ineens van 12,68%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen.
1.2.
[bedrijfsnaam 1] is niet akkoord gegaan met dit voorstel. Mevrouw [naam] heeft een schuld aan [bedrijfsnaam 1] van € 432,58, dat is 1,41% van de totale schuldenlast.
1.3.
[bedrijfsnaam 2] is ook niet akkoord gegaan met dit voorstel. Mevrouw [naam] heeft drie schulden aan [bedrijfsnaam 2] van € 98,79, € 137,51 en € 92,07, dat is tezamen 1,1% van de totale schuldenlast.
1.4.
Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [naam] op 8 november 2024 bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil zij dat de rechtbank [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil zij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
Procesverloop
2.1.
De verzoeken van mevrouw [naam] zijn behandeld op de zitting van 9 december 2024. Op deze zitting verschenen:
- mevrouw [naam] ,
- F. van den Broek, beschermingsbewindvoerder,
- C. Helliger en T. van Ettinger, schuldhulpverleners van de gemeente Den Haag,
2.2.
[bedrijfsnaam 1] is opgeroepen maar is niet op de zitting verschenen.
2.3.
Namens [bedrijfsnaam 2] heeft LAVG een verweerschrift van 28 november 2024 ingediend.
3Standpunten van partijen
3.1.
Mevrouw [naam] stelt dat het onredelijk is dat verweersters het aanbod niet aanvaarden. Volgens haar heeft zij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden en kan zij niet meer aanbieden dan zij heeft gedaan. Mevrouw [naam] heeft ter zitting verklaard dat zij uit een ongezonde relatie komt. Haar ex-echtgenoot begon te drinken en te slaan. Hij gebruikte het geld van de zaak en de pinpassen van mevrouw [naam] , maar betaalde geen rekeningen. Hierdoor is mevrouw [naam] in de schulden gekomen. Ook de schuld aan [bedrijfsnaam 2] is ontstaan door haar ex-echtgenoot. Mevrouw [naam] is vervolgens uit de relatie gestapt en heeft hulp gezocht. Mevrouw [naam] heeft zich, onder andere, onder bewind laten stellen van Stabilium. Onder dit bewind is mevrouw [naam] alleen maar dieper in de schulden gekomen. Inmiddels staat mevrouw [naam] onder bewind bij de heer Van den Broek en heeft zij aanzienlijke stappen gezet. Zij volgt een opleiding en heeft werk gevonden.
3.2.
[bedrijfsnaam 1] heeft haar standpunt niet kenbaar gemaakt aan de rechtbank.
3.3.
[bedrijfsnaam 2] stemt niet in met de aangeboden schuldregeling om - kort samengevat - de volgende redenen. Allereerst zijn volgens [bedrijfsnaam 2] de schulden niet te goeder trouw ontstaan. De vorderingen van [bedrijfsnaam 2] zijn ontstaan doordat verzoekster meerdere malen heeft getankt zonder te betalen. Op de diverse aanmaningen tot betaling die zijn verzonden, is door mevrouw [naam] niet gereageerd. Ook is het gedane aanbod volgens [bedrijfsnaam 2] niet het maximaal haalbare. Mevrouw [naam] is een 42 jarige vrouw die fulltime kan werken. Zij werkt echter parttime en heeft daardoor inkomsten uit loondienst van slechts € 1.485,79 per maand. Wanneer zij inkomsten uit een fulltime dienstverband zou ontvangen, zou de afloscapaciteit en dus het aanbod aan de schuldeisers, veel hoger zijn. Wanneer mevrouw [naam] zou worden toegelaten tot de Wettelijke schuldsaneringsregeling, zou er in vergelijking met het minnelijke traject een groter bedrag aan alle schuldeisers kunnen worden uitgekeerd, aldus [bedrijfsnaam 2] .
Beoordeling
4.1.
De rechtbank zal het verzoek van mevrouw [naam] om een dwangakkoord op te leggen afwijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] weigeren in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de gemeente Den Haag. Dat betekent dat wordt voldaan aan de door wet gestelde voorwaarde(n), namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen van een (groot) deel van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van de verzoekster zelf, van de weigerende schuldeiser(s) en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier niet op zijn plaats is.
Mevrouw [naam] heeft niet het maximaal haalbare voorstel gedaan
4.6.
Het voorstel dat mevrouw [naam] aan haar schuldeisers heeft gedaan is niet het maximaal haalbare. Het aanbod van mevrouw [naam] betreft een saneringsvoorstel en is gebaseerd op een inkomen uit een parttime dienstverband van 3 dagen. Mevrouw [naam] volgt daarnaast 1 dag een opleiding. Mevrouw [naam] heeft ter zitting verklaard dat zij haar opleiding over 3 maanden hoopt af te ronden en dat zij dan wil gaan werken in de kinderopvang. Dit betekent dat het inkomen van mevrouw [naam] op korte termijn, na het behalen van haar opleiding, kan wijzigen. De rechtbank kan dus niet zonder meer vast stellen dat de huidige afloscapaciteit van mevrouw [naam] blijvend is. Bovendien is onvoldoende aannemelijk geworden dat mevrouw [naam] niet in staat zou zijn om een fulltime inkomen te genereren dat zou leiden tot een hogere afloscapaciteit. Mevrouw [naam] heeft een arbeidsverleden in de horeca en het minimumloon op basis van een fulltime dienstverband is hoger dan wat zij nu op basis van 3 dagen werken verdient.
Het is niet onredelijk dat verweersters hebben geweigerd met de schuldregeling in te stemmen
4.7.
De meerderheid van de schuldeisers, die samen ruim 97% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, heeft weliswaar ingestemd met de aangeboden schuldregeling, maar, in dit geval is van belang dat het voorstel niet het maximaal haalbare is. Als een schuldenaar een opleiding wil volgen of voltooien dan zal de verwachting moeten bestaan dat niet alleen de schuldenaar maar ook zijn schuldeisers daar op enig moment bij gebaat zijn. In dit geval is daarvan geen sprake. De opleiding van mevrouw [naam] is waarschijnlijk binnen drie maanden afgerond en het aangeboden akkoord is een saneringsakkoord en geen prognoseakkoord. Het verzoek om [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] te bevelen in te stemmen met de door mevrouw [naam] aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen. Aangezien het dwangakkoord op deze grond wordt afgewezen, behoeft het argument van [bedrijfsnaam 2] ten aanzien van het ontbreken van de goede trouw door het tanken zonder te betalen, geen nadere bespreking.
WSNP verzoek ingetrokken
4.8.
Mevrouw [naam] heeft op de zitting laten weten het verzoek om te worden toegelaten tot WSNP niet te handhaven als het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord af.
Dit is een beslissing van mr. L. Mundt, rechter, in samenwerking met B.A.H. van der Ven LL.B., griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2024.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan verzoekster gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag. Dit kan alleen indien het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ook door de rechtbank is afgewezen en verzoekster tegelijk hoger beroep instelt tegen die afwijzing (art. 292 lid 3 Fw).