Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:20938
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,928 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43122
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 4 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
1. Eiser is geboren op [datum] 1977 en heeft de Syrische nationaliteit.
2. Eiser heeft op 29 september 2022 zijn eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 23 maart 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Het daartegen ingediende beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 17 april 2023 ongegrond verklaard. Hiermee is het hiervoor genoemde besluit van 23 maart 2023 onherroepelijk geworden. Op 19 juni 2023 is eiser overgedragen aan de autoriteiten van Spanje. Op 14 juli 2023 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend in Nederland. Uit onderzoek in Eurodac en uit de verklaringen van eiser is gebleken dat eiser geen asielaanvraag heeft ingediend in Spanje. Spanje is daarom nog verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. Nederland heeft op grond hiervan op 5 september 2023 een verzoek tot overname gedaan. Op 8 september 2023 heeft Spanje het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Spanje vaststaat. Bij besluit van 27 oktober 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiser daarom niet in behandeling genomen. Vervolgens is eiser geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’ (MOB). Op 4 januari 2024 zijn de Spaanse autoriteiten daarvan in kennis gesteld en is de uiterste overdrachtstermijn verlengd. Op 27 juni 2024 heeft eiser onderhavige asielaanvraag ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is.
3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen, en voert daartoe het volgende aan. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat de overdrachtstermijn tot achttien maanden kan worden verlengd indien de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken. In het bestreden besluit ontbreekt echter de specifieke verlengingstermijn, wat leidt tot een motiveringsgebrek en een schending van het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel. Hierdoor kan eiser niet vaststellen vanaf welke datum hij rekening dient te houden met een overdracht aan Spanje. Daarnaast is de MOB-melding van 13 september 2023 onvoldoende om te concluderen dat hij is ondergedoken. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juli 2020 waarin werd geoordeeld dat onderduiken niet kan worden aangenomen wanneer de overdrachtstermijn nog niet in zicht is. In eisers geval geldt dat de overdrachtstermijn nog lang niet verstreken is en hij zich inmiddels weer heeft gemeld. Verder wijst eiser op de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022, waarin werd geoordeeld dat het Jawo-arrest te strikt werd geïnterpreteerd. Het kort uit beeld zijn zonder overdracht te frustreren werd onterecht als onderduiken aangemerkt. Alleen doelbewust onderduiken met als doel de overdracht te frustreren, wordt aangemerkt als onderduiken in de zin van de Dublinverordening en het Jawo-arrest.
4. Daarnaast voert eiser aan dat Spanje niet in staat is om adequate opvang en informatievoorzieningen te bieden. Hij verwijst naar het AIDA-rapport van 30 mei 2024, waaruit blijkt dat informatiefolders in Spanje enkel beschikbaar zijn in het Spaans, Engels en Frans. Aangezien eiser geen van deze talen machtig is, zal hij de inhoud van deze folders niet begrijpen. Ook heeft eiser in Spanje geen opvang genoten en verwijst daarbij naar de conclusie van het AIDA-rapport, waaruit blijkt dat er sprake is structurele problemen in de opvangvoorzieningen in Spanje. Dit leidt tot een risico op een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Verder wordt een asielaanvraag in Spanje niet aangemerkt als een opvolgende asielaanvraag.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat. Indien de overdracht niet kan worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal achttien maanden worden verlengd als de vreemdeling onderduikt. Deze bepaling moet zo worden uitgelegd dat een verzoeker onderduikt wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het doel om deze overdracht te frustreren.
6. Uit het bestreden besluit blijkt dat in de situatie van eiser sprake is geweest van een MOB-melding op 13 december 2023, omdat eiser op die datum de woonruimte zelfstandig heeft verlaten. Eiser heeft niet betwist dat hij de opvang inderdaad heeft verlaten. Op 4 januari 2024 heeft verweerder de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd en zowel eiser als de Spaanse autoriteiten hierover geïnformeerd. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juli 2020 treft geen doel. In die zaak was geen sprake van onderduiken, omdat de uiterste overdrachtstermijn nog niet in zicht was en de vreemdeling zich snel na het claimakkoord weer had gemeld. Verweerder had destijds nog vijf maanden de tijd om de vreemdeling over te dragen. Dit is niet vergelijkbaar met de situatie van eiser, waar de uiterste overdrachtsdatum een duidelijk kortere periode verwijderd was van het moment dat eiser zich aan het toezicht onttrok. Ook de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022 treft geen doel. Uit de verklaringen van eiser in zijn aanmeldgehoor blijkt dat hij de opvang heeft verlaten, omdat hij niet terug wilde keren naar Spanje. Dit duidt op een bewuste keuze met als doel de overdracht naar Spanje te frustreren. Bovendien heeft eiser zich pas op 27 juni 2024 opnieuw gemeld, ruim na de oorspronkelijke uiterste overdrachtsdatum van 8 maart 2024. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser is ondergedoken en is de overdrachtstermijn terecht verlengd.
7. Uit artikel 26, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat in het besluit dient te worden vermeld binnen welke termijn de overdracht zal plaatsvinden. In het bestreden besluit is die echter niet benoemd. Dit vormt een gebrek in het bestreden besluit. Dit gebrek wordt evenwel gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Hiertoe wordt overwogen dat verweerder ter zitting heeft vermeld dat de uiterste overdrachtstermijn kan worden afgeleid uit het – in het voornemen en het bestreden besluit genoemde – procedureoverzicht en dat de uiterste overdrachtstermijn is verlengd tot achttien maanden. Vaststaat dat Nederland bij brief van 4 januari 2024 de Spaanse autoriteiten heeft meegedeeld dat de overdracht geen doorgang kon vinden, omdat gebleken was dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken, en dat de overdrachtstermijn werd verlengd tot 18 maanden. Voorts is meegedeeld dat Spanje zo spoedig mogelijk zou worden geïnformeerd over een nieuwe overdracht. Daarmee is voldaan aan het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening en is de overdrachtstermijn als bedoeld in (thans) artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd tot achttien maanden na het claimakkoord. Het dossier bevat geen concrete aanknopingspunten dat de uiterste overdrachtstermijn zou zijn verlengd met een kortere termijn. Het beleid van verweerder bevat evenmin redenen te veronderstellen dat in bepaalde gevallen de uiterste overdrachtstermijn wordt verlengd met een korter termijn. Niet is gebleken dat eiser door het niet vermelden van de specifieke overdrachtstermijn in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft in deze procedure in ieder geval ter zitting duidelijkheid gekregen over zijn overdrachtstermijn.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan op 11 december 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger-beroepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
ECLI:NL:RBDHA:2023:5740.
Op grond van artikel 19 van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).
Op grond van artikel 18, eerste lid en onder a, van de Dublinverordening.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.
Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
ECLI:NL:RBDHA:2020:7551.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2022:3630.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak Jawo tegen Duitsland van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punt 62 e.v. en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630.
Aanmeldgehoor Dublin, pagina 5.
Algemene wet bestuursrecht.
Verordening (EU) nr. 118/2014.
Volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 5 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ5193, en van 21 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2568. Vgl. ook HvJEU, arrest Jawo, r.o. 75.
Paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire.
ECLI:NL:RVS:2024:2548.