Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:20861
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,064 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46294
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2024 in de zaak tussen
[naam] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
de minister van Asiel en Migratie
Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst bij uitspraak van 1 november 2024.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en daarom het vooronderzoek gesloten op 29 november 2024.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 1 november 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, zijnde 29 oktober 2024, rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt. Volgens eiser is er sinds de indiening van de laissez passer-aanvraag op 25 oktober 2024 geen medewerking van de Marokkaanse autoriteiten verleend waardoor er kan worden vastgesteld dat de Marokkaanse autoriteiten geen enkele intentie hebben om het dossier van eiser op te pakken. Daarbij komt dat eiser zelf graag terug wil naar Marokko.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Het is niet gebleken dat dit in het geval van eiser anders is. Vast staat dat voor eiser op 25 oktober 2024 een laissez passer-aanvraag is gedaan en op 14 november 2024 een rappel heeft verstuurd. Dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd is onvoldoende voor de conclusie dat zij helemaal geen laissez-passer zullen verstrekken en dat daarom het zicht op uitzetting ontbreekt. De Marokkaanse autoriteiten hebben immers niet te kennen gegeven dat voor eiser geen laissez-passer zal worden afgegeven. Dat eiser zelf graag terug wil naar Marokko doet hier niet aan af.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb Den Haag, zp Arnhem, 1 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18050.
Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
ABRvS, 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS, 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.