Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-03
ECLI:NL:RBDHA:2024:20837
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,114 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.25098
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2024 op het verzet van
[naam]
, v-nummer: [nummer] , opposant
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 maart 2023 in het geding tussen
opposant en
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 22 maart 2023 waarin de rechtbank het verzoek om een proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.
1.1.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 22 maart 2023 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het verzoek om een proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond is afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het verzoek van opposant
4. Het verzoek van opposant ging over de proceskosten die, zo stelde opposant, de minister diende te vergoeden nadat opposant het beroep tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag had ingetrokken.
De uitspraak van 22 maart 2023
5. De rechtbank heeft zonder zitting uitspraak gedaan over het verzoek om de minister in de proceskosten te veroordelen. Dat mag de rechtbank doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat bij het indienen van het beroep tegen het uitblijven van een besluit op de asielaanvraag van opposant niet was voldaan aan de vereisten van artikel 6:12 van de Awb, omdat opposant de minister te vroeg, voordat de beslistermijn was verstreken, in gebreke heeft gesteld.
De gronden van verzet
6. Opposant is het niet met de uitspraak eens en heeft aangevoerd – kort weergegeven - dat de minister de beslistermijn met WBV 2022/22 niet rechtsgeldig heeft verlengd. Er werd namelijk niet voldaan aan de vereisten van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), op grond waarvan de minister de beslistermijn heeft verlengd. Verwezen is naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 6 januari 2023 en naar artikel 31 van de Procedurerichtlijn.
7. De grond van het verzet slaagt, omdat de door eiser in het verzet aangedragen argumenten twijfel doen ontstaan over de uitkomst in eerste instantie. De rechtbank is met verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 13 juli 2023 namelijk van oordeel dat WBV 2022/22 niet van toepassing is op de asielaanvraag van opposant, omdat de beslistermijn om een andere reden op grond van artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000 al eerder met negen maanden is verlengd. Dit betekent dat de verlenging van de beslistermijn als bedoeld in WBV 2022/22 in deze situatie niet rechtsgeldig is.
Conclusie
8. De grond van het verzet slaagt. De rechtbank ziet daarom aanleiding anders te oordelen dan de uitspraak van 22 maart 2023. Omdat het verzet gegrond is, zal het verzoek om proceskostenvergoeding alsnog inhoudelijk worden behandeld.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Uit artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een zitting dan achterwege kan blijven.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Awb.
Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire.
ECLI:NL:RBDHA:2023:136.
ECLI:NL:RBDHA:2023:10203.