Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:20794
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,485 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/1199
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2024 in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: I.C.P. Duarte),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M. van Bohemen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 september 2023 afgewezen. Op 24 januari 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Met het bestreden besluit van 12 april 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mevrouw I.C.P. Duarte als gemachtigde en referente van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1994 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 8 augustus 2023 heeft eiser verweerder verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf om referente te bezoeken.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Daarnaast bestaat er redelijke twijfel over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. In het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser heeft het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf voldoende aangetoond bij de aanvraag en in de aanvullende vragenlijst. Verder heeft eiser wel voldoende sociale en economische binding met Marokko, waardoor er geen twijfel bestaat over zijn voornemen het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van het visum. Verweerder heeft de vragen en argumenten van eiser en referente in bezwaar niet betrokken in het bestreden besluit. Verweerder heeft daarom het bezwaar niet kennelijk ongegrond mogen verklaren. Verweerder dient een dwangsom te betalen vanwege de overschrijding van de beslistermijn en eiser te compenseren voor de kosten die hij en referente hebben gemaakt om het visum aan te vragen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Niet tijdig nemen van een besluit
5. Voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat daarom beroep bij de rechtbank open. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.
5.1.
Eiser heeft verweerder met de brief van 6 januari 2024 in gebreke gesteld. Verweerder heeft de ingebrekestelling op 10 januari 2024 ontvangen en eiser heeft op 24 januari 2024 beroep ingesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was.
5.2.
Nu verweerder op de aanvraag van eiser heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag echter komen te vervallen. Het beroep voor zover het gericht is tegen het niet-tijdig beslissen, is daarom om deze reden niet-ontvankelijk.
5.3.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep niet tijdig beslissen, omdat in dit geval geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de rechtbank ook niet is gebleken van andere kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Visumaanvraag
6. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiser is het niet eens met het alsnog genomen besluit, omdat verweerder niet volledig aan het beroep van eiser is tegemoetgekomen. Het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit.
7. De rechtbank oordeelt dat verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren. Verweerder heeft namelijk kunnen concluderen dat er geen twijfel over bestond dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden.
7.1.
De rechtbank toetst of verweerder in redelijkheid het bestreden besluit heeft kunnen nemen. Bij de beoordeling daarvan toetst de rechtbank terughoudend. Uit het toepasselijke Unierecht volgt dat het aan de aanvrager is om zijn verblijfsdoel en zijn tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU volgt dat verweerder bij het onderzoek van een visumaanvraag, met betrekking tot de beoordeling van de relevante feiten over een ruime beoordelingsmarge beschikt om te bepalen of een van de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode vermelde gronden voor weigering van een visum aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Het is dus aan de aanvrager van een visum om de voor de beoordeling van zijn aanvraag nodige informatie te verstrekken, waarvan de geloofwaardigheid moet worden aangetoond met relevante en betrouwbare bewijzen, die de twijfel kunnen wegnemen.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft kunnen concluderen dat redelijke twijfel is ontstaan over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Bij beantwoording van de vraag of een zogenaamd vestigingsrisico aannemelijk is, mag verweerder het criterium van sociale en economische binding hanteren. Verweerder heeft zich in dit kader op het standpunt mogen stellen dat sprake is van een geringe economische binding met Marokko omdat niet is gebleken dat eiser over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt om zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien. Zo is onvoldoende vast komen te staan dat eiser het inkomen van € 300,- per maand daadwerkelijk ontvangt als gevolg van de door hem verrichte arbeid. Eiser heeft geen bankafschriften of andere schriftelijke stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij het bedrag heeft ontvangen. Het bewijs van het boeken van een appartement geeft verder geen inzicht in het gestelde inkomen van eiser. Ook heeft eiser niet aangegeven welk beroep hij uitoefent. Verweerder heeft hierbij de aanvullende vragenlijst en het bezwaar van eiser voldoende betrokken.
7.3.
Nu eiser daarnaast een alleenstaande jonge man is zonder gezin of andere verplichtingen jegens familieleden of dierbaren in Marokko, heeft verweerder ook op goede gronden kunnen concluderen dat niet van een sterke sociale binding met Marokko is gebleken, die een tijdige terugkeer naar het land van herkomst garandeert.
8. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om eiser te compenseren voor de kosten die hij en referente hebben gemaakt om het visum aan te vragen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat in het aanvraagformulier vermeld staat dat de aanvrager zelf de kosten van zijn aanvraag moet dragen.
Dwangsom
9. Nu verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren, heeft hij ook geen dwangsom hoeven betalen aan eiser.
Conclusie
10. Het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk.
11. Het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit van 12 april 2024 is ongegrond. Dat betekent dat het besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2024
De rechter is verhinderd te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:12, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
Artikel 32 van de Visumcode (Verordening 810/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009).
Zaak C-84/12, 19 december 2013, Koushkaki (ECLI:EU:C:2013:862).
Zie artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb.