Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:20749
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,976 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3691
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: E. Batenburg),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. M.A. Bakker).
Inleiding
Met het besluit van 4 december 2023 (het primaire besluit) heeft het Uwv eiser laten weten dat hij teveel uitkering heeft ontvangen en dit moet terugbetalen.
Met het besluit van 28 maart 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het Uwv bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2024 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv.
Overwegingen
Wat aan de zaak vooraf ging
1.1.
Eiser ontvangt sinds 19 december 2018 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiser heeft een toeslag aangevraagd, waarna verweerder onderzoek heeft gedaan naar onder andere zijn financiële situatie. Hieruit is gebleken dat eiser in de periode van 14 augustus 2023 tot en met 5 november 2023 inkomsten uit arbeid heeft gehad die hij niet aan het Uwv heeft doorgegeven. Hierdoor heeft hij € 1.685,59 teveel aan uitkering ontvangen. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv het primaire besluit genomen.
1.2.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hiertoe heeft eiser aangevoerd dat het niet bestraft moet worden als hij met zijn beperkingen toch nog probeert arbeid te verrichten. Het is immers niet doorgegeven omdat de verwachting er was dat eiser het niet lang vol zou houden. Ook vraagt eiser verweerder om coulant te zijn in de terugvordering. Tijdens de hoorzitting heeft eiser ook aangegeven dat het termijnbedrag te hoog is.
1.3.
Het Uwv heeft in het bezwaar van eiser geen aanleiding gezien om het standpunt te wijzigen en het bestreden besluit genomen. Zij is van mening dat eiser informatie had kunnen vragen over wat de gevolgen van inkomsten zouden zijn op zijn uitkering. Ook had eiser kunnen weten dat het hebben van inkomen gevolgen zou kunnen hebben voor zijn uitkering. Er worden ook geen dringende redenen gezien om van de terugvordering of verlaging af te zien. Het Uwv heeft wel het termijnbedrag verlaagd van €243,70 naar €100,00 per maand.
Beoordeling
2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser de plicht had om het Uwv in te lichten over zijn inkomsten uit arbeid in de periode van 14 augustus 2023 tot en met 5 november 2023. Dat hij dit niet heeft gedaan is vast komen te staan. In geschil is slechts of er sprake is van een bijzondere situatie dan wel of er dringende redenen zijn om af te zien van de terugvordering of om het terugvorderingsbedrag te verlagen. De rechtbank oordeelt dat hier geen sprake van is en overweegt als volgt.
3.1.
Eiser voert aan dat het Uwv de gehele situatie van eiser dient te betrekken in de beoordeling van het geval, dit is niet gedaan. Er is sprake van een bijzondere situatie, eiser doet daarom een verzoek op kwijtschelding van het gehele bedrag. Ter zitting is namens eiser aangevoerd dat er meer coulance werd verwacht van het Uwv.
3.2.
Het Uwv voert aan dat er rekening wordt gehouden met de situatie van eiser, hij ontvangt immers een Wajong-uitkering met een reden. Echter, is het van belang dat eiser iedere arbeid doorgeeft zodat er rekening mee gehouden kan worden bij het bepalen van de hoogte van de uitkering. Dit heeft eiser nagelaten het Uwv heeft de inkomsten vervolgens zelf ontdekt bij de behandeling van de aanvraag voor een toeslag. Het Uwv stelt dat de terugvordering niet onevenredig is nu deze is ontstaan omdat eiser zijn inkomsten niet heeft doorgegeven. Er is ook rekening gehouden met de gevolgen van de terugvordering nu zij het maandelijkse termijnbedrag hebben (nogmaals) verlaagd.
3.3.
De rechtbank overweegt dat een ten onrechte uitbetaald bedrag over een periode door het Uwv wordt teruggevorderd, tenzij er sprake is van dringende redenen om daarvan af te zien. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat het begrip dringende redenen ruim uitgelegd moet worden. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Alle relevante feiten en omstandigheden zijn daarbij van belang. De rechtbank leest in de gronden van eiser een beroep op de voorgenoemde uitspraak.
3.4.
De rechtbank oordeelt dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het geval van eiseres geen sprake is van dergelijke dringende redenen. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat eiser, zoals hiervoor in 2.1 al is overwogen, de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet tijdig en op de voorgeschreven wijze aan verweerder door te geven dat hij inkomsten uit arbeid had. De door eiser aangevoerde omstandigheden zijn geen omstandigheden die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn om af zien van de terugvordering dan wel om de terugvordering te verlagen. Dat hij ondanks zijn beperkingen werk heeft proberen te verrichten is zonder meer lovenswaardig. De situatie van eiser is evenwel niet dusdanig dat desondanks niet van hem verwacht mocht worden dat hij zijn werkzaamheden zou melden. Van andere dringende redenen om van de vordering af te zien of die te verlagen is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank wijst er wat dit betreft ook op dat verweerder rekening heeft gehouden met de financiële situatie van eiser door de aflossing te beperken tot een bedrag van €100,00 per maand. Ter zitting is verklaard dat het Uwv de aflossing per 1 augustus 2024 verder heeft beperkt tot een bedrag van €75,00 per maand. Niet gesteld of gebleken is dat eiser in financiële nood is geraakt.
3.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R. Veili, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 2:59, eerste lid en vijfde lid, van de Wajong.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.