Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:20738
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
861 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32501
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een verklaring van inschrijving voor burgers van de Unie kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft hiertegen op 17 augustus 2024 beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.
Overwegingen
1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.
2. De griffier stelt een termijn voor betaling van het griffierecht. Als binnen deze termijn geen betaling heeft plaatsgevonden, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3. Bij aangetekende brief van 19 september 2024 – verstuurd naar het door de gemachtigde van eiseres opgegeven adres – is eiseres er door het LDCR aan herinnerd dat zij nog niet heeft voldaan aan het verzoek het griffierecht te betalen. Verder is meegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken dient te zijn overgemaakt. Eiseres is er in die brief tevens op gewezen dat zij bij niet (tijdige) betaling het risico loopt dat het beroepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard.
4. Op 22 oktober 2024 heeft het LDCR de verzonden herinneringsnota retour ontvangen. Uit de informatie van PostNL blijkt dat de brief niet is afgehaald bij het PostNL-punt. De rechtbank mag er in beginsel van uitgaan dat de gemachtigde van eiseres een afhaalbericht van deze aangetekende brief heeft ontvangen. Het niet afhalen van een aan haar geadresseerd aangetekend poststuk is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiseres komt.
5. De rechtbank stelt vast dat het griffierecht niet is betaald. Verder is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiseres in verzuim is geweest. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 9 december 2024 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van P. Lukanika, griffier en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb.
Op grond van artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, van de Awb.
Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak.