Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-16
ECLI:NL:RBDHA:2024:20734
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
3,171 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 23/10610 en AWB 24/1536
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 16 juli 2024 in de zaken tussen
[eiser/verzoeker], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
V-nummer: [V-nummer 1]
[eiseres/verzoekster]
, eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
V-nummer: [V-nummer 2]
hierna tezamen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. K. Jevtovic),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Wischhoff).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegens de afwijzing van hun aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 2 maart 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 augustus 2023 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, mevrouw [naam] (referente), M. Gall als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1976 en eiseres op [geboortedag 2] 2004. Eisers hebben de Servische nationaliteit. Eiser wenst verblijf bij zijn gestelde partner, mevrouw [naam] (referente), in Nederland. Eiser wenst ook voor zijn dochter (eiseres) verblijf in Nederland.
3. Eiser heeft eerder, op 19 februari 2019, een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER om te verblijven bij referente. Bij besluit van 18 december 2019 is het bezwaarschrift van eiser kennelijk ongegrond verklaard, omdat is geconstateerd dat eiser en referente een relatie zijn aangegaan met als enig doel om het recht van vrij verkeer en verblijf te verkrijgen zoals neergelegd in de Verblijfsrichtlijn. Bij uitspraak van 23 juni 2021 heeft de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de hoogste bestuursrechter op 18 augustus 2021 bevestigd, zodat het besluit in rechte vaststaat.
4. Verweerder heeft de huidige aanvraag van eiser afgewezen omdat het volgens verweerder gaat om een herhaalde aanvraag en geen sprake zou zijn van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova). De aanvraag van eiseres is ook afgewezen. Voor eiseres kan geen afgeleid verblijfsrecht ontstaan, omdat dat afhankelijk is van het verblijfsrecht van eiser.
Wat vinden eisers in beroep?
5. Eisers verwijzen allereerst naar het bezwaarschrift en wensen dat de bezwaargronden als herhaald en ingelast worden beschouwd. Daarnaast is het standpunt van verweerder over de vliegtickets in strijd met het motiveringsbeginsel. Het is aannemelijk dat referente daadwerkelijk naar Servië is gereisd en niet enkel een ticket heeft geboekt. Verder is het logisch dat de screenshot met Facetime gesprekken op de telefoon van eiser is gemaakt. Verweerder zoekt redenen om hetzelfde standpunt in te nemen als bij de eerdere afwijzing en maakt het onmogelijk voor eiser om een verblijfsvergunning te krijgen. Hiermee handelt verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ook zijn de screenshots met bankafschrijvingen een novum, omdat de financiële bijdrage van eiser een vorm van samenleven tussen partners is. Verweerder heeft de nieuwe feiten en omstandigheden niet zorgvuldig beoordeeld en handelt ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiser is niet in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie te overleggen bij zijn aanvraag. Tot slot heeft verweerder de hoorplicht geschonden en dient verweerder een dwangsom te betalen omdat niet tijdig is beslist.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Eisers hebben verzocht de bezwaargronden als herhaald en ingelast te beschouwen. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van de bezwaargronden kan de rechtbank niet afleiden waarom eisers van mening zijn dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om het besluit te vernietigen en gaat hierna in op de in beroep aangevoerde gronden.
7. De rechtbank oordeelt dat verweerder de aanvraag van eisers heeft kunnen afwijzen en overweegt hiertoe het volgende.
Zorgvuldigheid
8. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat verweerder bij de aanvraag geen herstel verzuim heeft geboden aan eisers om aanvullende bewijsstukken aan te leveren. Verweerder heeft hiermee onzorgvuldig gehandeld. De rechtbank ziet aanleiding om dit zorgvuldigheidsgebrek te passeren omdat eisers hierdoor niet zijn benadeeld. Verweerder heeft in de bezwaarfase namelijk wel herstel verzuim geboden zodat eisers voldoende de kans hebben gehad om hun aanvraag aan te vullen met nadere bewijsstukken. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat verweerder niet zorgvuldig heeft beoordeeld of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Verweerder heeft alle overgelegde bewijsstukken betrokken bij de beoordeling en inhoudelijk besproken in het bestreden besluit.
Nieuwe feiten en omstandigheden
9. De rechtbank stelt voorop dat bij de eerdere aanvraag van eiser is vastgesteld dat sprake is van een schijnrelatie. Als in rechte vaststaat dat partijen een schijnrelatie zijn aangegaan, kan niet worden uitgesloten dat hierna alsnog een oprechte relatie kan ontstaan. In het kader van een opvolgende aanvraag moet eiser de oprechtheid van de relatie onderbouwen, met nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
9.1.
Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere afwijzende besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom moesten worden aangevoerd en bewijsstukken die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en daarom moesten worden overgelegd. Als hieraan is voldaan, dan doen zich toch geen feiten voor die een – hernieuwde – inhoudelijke toetsing rechtvaardigen, wanneer op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
9.2.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij deze nieuwe aanvraag de oprechtheid van zijn gestelde relatie met referente niet aannemelijk heeft gemaakt met nieuwe feiten of omstandigheden. Ten eerste is terecht overwogen dat de vliegtickets geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, aangezien hiermee niet aannemelijk is gemaakt dat referente daadwerkelijk naar Servië is gereisd en daar tijd met eiser heeft doorgebracht. Eiser heeft hier geen verdere bewijsstukken van overgelegd. Verweerder heeft het besluit op dit punt voldoende gemotiveerd. Ten tweede is ook terecht overwogen dat het screenshot met Facetime gesprekken geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is. Uit het screenshot valt namelijk niet af te leiden van wie de telefoon is en tussen wie het Facetime gesprek heeft plaatsgevonden. Ook blijkt uit het screenshot enkel dat vier gesprekken hebben plaatsgevonden met vier verschillende personen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat niet duidelijk is hoe hieruit blijkt dat sprake is van een oprechte relatie tussen eiser en referente. De rechtbank volgt niet dat verweerder hier handelt in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het onmogelijk maakt voor eiser om een verblijfsvergunning te krijgen. Zoals hiervoor is overwogen heeft verweerder eiser voldoende in de gelegenheid gesteld zijn relatie te onderbouwen met stukken. Ten derde is ten aanzien van de overgelegde screenshots met bankafschrijvingen eveneens terecht overwogen dat hieruit niet blijkt dat sprake is van een oprechte relatie tussen eiser en referente en dat deze daarom niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen worden aangemerkt. Uit de screenshots valt namelijk niet af te leiden van wie de bankrekening is en hoe eiser hiermee bijdraagt in het levensonderhoud van referente.
9.3.
In de beroepsfase heeft eiser nog aanvullende stukken overgelegd, namelijk enkele facturen van KPN en bankafschriften van de rekening van eiser. Hieruit blijkt dat eiser de telefoonrekening voor referente betaalt. Hoewel ook blijkt dat eiser de factuur van een waterleidingsbedrijf heeft betaald, kan op grond van dit bankafschrift niet worden vastgesteld op welk pand deze factuur ziet. Voor zover uit deze stukken zou blijken dat eiser hiermee bijdraagt in het levensonderhoud van referente, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat hieruit niet blijkt dat sprake is van een oprechte relatie tussen eiser en referente.
9.4.
Nu er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die de oprechtheid van de relatie aannemelijk kunnen maken, heeft verweerder de aanvraag van eiser kunnen afwijzen. Nu eiser geen verblijfsrecht heeft in Nederland, kan voor eiseres ook geen afgeleid verblijfsrecht ontstaan.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond.
13. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
14. Omdat de rechtbank een gebrek in de zorgvuldigheid heeft geconstateerd, krijgen eisers wel het griffierecht terug en ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.625,-.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Zoals bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004.
Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 6:22 van de Awb.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3755 (de Afdeling).
Uitspraak van de Afdeling van 18 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1279.
Uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1161.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1.