Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:20653
Civiel recht
Wraking
1,241 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. O. van der Burg,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 19 november 2024 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 11102021 \ RL EXPL 24-9347 tussen Infomedics B.V. als eisende partij en verzoeker als gedaagde partij (hierna: de hoofdzaak).
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek aan zijn verzoek hetzelfde ten grondslag gelegd als hetgeen hij aan zijn eerder gedane wrakingsverzoek in dezelfde hoofdzaak ten grondslag heeft gelegd.
Beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Verzoeker heeft tijdens de zitting op 19 november 2024 medegedeeld dat hij de rechter opnieuw wraakt op dezelfde grond als die hij aan zijn eerdere wrakingsverzoek in deze hoofdzaak ten grondslag heeft gelegd. Het is de wrakingskamer ambtshalve bekend dat verzoeker aan zijn eerdere wrakingsverzoek op 12 september 2024 ten grondslag heeft gelegd dat hij er geen vertrouwen in had. Dit wrakingsverzoek is op 24 september 2024 door de wrakingskamer afgewezen, omdat verzoeker onvoldoende had geconcretiseerd welke bijzondere omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid van de rechter. Verzoeker heeft ook in deze nieuwe wrakingsprocedure zijn stelling (dat hij er geen vertrouwen in heeft) op geen enkele wijze aan de hand van feiten en omstandigheden onderbouwd, zodat verzoeker wederom onvoldoende heeft geconcretiseerd welke bijzondere omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid van de rechter. De wrakingskamer zal het verzoek tot wraking daarom afwijzen.
3.3.
Verzoeker heeft in deze procedure nu twee wrakingsverzoeken gedaan die beide niet zijn gehonoreerd en die feitelijke onderbouwing missen. Deze wrakingsverzoeken hebben geleid tot onredelijke vertraging van de rechtspleging. Naar het oordeel van de wrakingskamer gebruikt verzoeker het middel van wraking voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
3.4.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar omdat direct duidelijk is dat het verzoek ongegrond is, wordt aan dat debat niet toegekomen.
Dictum
De wrakingskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen;
4.4.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en S.M. Westerhuis-Evers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.