Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:20643
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,965 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/673454 / FA RK 24-7105
Datum beschikking: 23 oktober 2024
Opvolgende rechterlijke machtiging
Beschikking naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een opvolgende machtiging voor de duur van een jaar als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[cliënt] ,
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1928 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [accomodatie] te [plaatsnaam] ,
advocaat: mr. E.A.E.G.J. Libosan te Den Haag.
Procesverloop
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 31 januari 2024;
- de aanvraag voor een opvolgende machtiging aan het CIZ van 1 oktober 2024;
- de op 27 september 2024 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, P. van Winkelen, die cliënt met het oog op de machtiging kort te voren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;
- het zorgplan van 13 september 2024;
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het emailbericht van de advocaat van 16 oktober 2024 met vier aan de advocaat gerichte brieven van cliënt.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2024. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
- de afdelingsarts E. Papenhuijzen.
Standpunt cliënt
Door en namens cliënt is ter zitting gepleit voor de afwijzing van het verzoek.
Cliënt voert aan dat zij tegen haar wil wordt vastgehouden in de accommodatie. Gezegd wordt dat cliënt lijdt aan dementie, dat zij niet meer voor zichzelf kan zorgen en in de thuissituatie geen zorg toeliet. Maar cliënt lijdt niet aan dementie, heeft geen noemenswaardige geheugenklachten en/of functionele beperkingen en heeft de nodige zorg (medicatieverstrekking van de apotheek, thuiszorg en zorghulp) altijd geaccepteerd. Cliënt wil naar huis. Zij heeft een prettige en geschikte woning, geheel afbetaald en in eigendom. Haar huis is voorzien van de nodige aanpassingen om vallen te voorkomen en heeft een mooie tuin, die zij, ondersteund door haar eigen tuinman, zelf onderhoudt.
De advocaat brengt namens cliënt tegen het verzoek in dat het onvoldoende wordt gedragen door de daartoe gestelde feiten en omstandigheden. Verder voert de advocaat aan dat cliënt zich ontzettend opgesloten voelt in de accommodatie. Zij ervaart er geen enkele vrijheid en is ronduit doodongelukkig. De lijdensdruk is zo hoog dat de advocaat zich kan voorstellen dat het cliënt wordt gegund om terug naar huis te mogen. De advocaat vraagt de rechtbank het verzoek af te wijzen. Er kan een ultieme poging worden gedaan om haar met de inzet van alle hulp thuis te kunnen laten verblijven.
Standpunt accommodatie
De afdelingsarts brengt naar voren dat cliënt als gevolg van vasculaire dementie zorgafhankelijk is. Haar vermogen tot zelfzorg en het aanbrengen van dagstructuur zijn sterk verminderd. Bij het oefenwandelen, dat vijf keer is ingezet, is gezien dat cliënt het overzicht niet meer heeft om de weg naar huis te kunnen vinden.
De afdelingsarts heeft geen vertrouwen in de goede afloop van terugkeer naar huis met inzet van ambulante zorg. Cliënt toont in gesprek met de afdelingsarts geen inzicht in haar beperkingen. Zij persevereert in haar verbale verzet tegen de opname en haar stelling dat zij alles nog zelf kan. Verblijf op een open of semi-open afdeling is niet bespreekbaar. Ze wijst somatisch onderzoek om haar beperkingen en zorgbehoefte nader in kaart te brengen van de hand. Cliënt beschikt niet over een steunsysteem dat haar mantelzorg kan verlenen. Haar sociaal netwerk is erg klein. Haar zoon is mantelzorger geweest en is daar overbelast van geraakt.
De weerstand van cliënt tegen de opname is fors. Daarom is de casus van cliënt multidisciplinair besproken en is er gezocht naar een passend zorgbeleid. Daar is weinig uitgekomen. Ondanks haar weerstand toont cliënt verder weinig initiatief. Ze gaat niet in op het aanbod van de zorg om haar naar haar huis te vergezellen voor een bezoek. Ze mag naar de tuin van de accommodatie. Maar toont ook op dat punt geen initiatief.
Beoordeling
Op 4 juni 2024 is door de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie verleend geldig tot en met 4 december 2024.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten een uitgebreide neurocognitieve stoornis. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan het medisch deskundig oordeel van de onafhankelijk arts (tevens specialist ouderengeneeskunde) zoals neergelegd in de medische verklaring.
Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. Er bestaat een risico op ernstig lichamelijk letsel door inadequate voedselintake en door vallen. Cliënt kan door desoriëntatie verdwalen omdat zij niet meer goed georiënteerd is. Door het verminderde initiatief tot zelfzorg en de hoge mate van desorganisatie in handelen kan er ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang optreden. Ten slotte kan er door overbelasting in zorg psychische schade aan de mantelzorger (zoon) optreden.
De voortzetting van het verblijf in een accommodatie is geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Uit de medische verklaring en de verklaring van de op de zitting gehoorde afdelingsarts volgt dat er sprake is geweest van zorgweigering in de thuissituatie en dat het niet lukt om met cliënt tot afspraken over het accepteren van zorg te komen. Minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden zijn niet voorhanden, zodat voortzetting van het verblijf in een accommodatie noodzakelijk is.
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de voortzetting van het verblijf in een accommodatie.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie als bedoeld in de Wzd.
De rechtbank zal de machtiging verlenen. De rechtbank merkt hierbij op dat de machtiging geen beletsel is om cliënt met afspraken over zorg thuis te laten verblijven als uit nader onderzoek blijkt dat daar toch wel mogelijkheden voor zijn.
Dictum
De rechtbank:
verleent een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie ten aanzien van:
[cliënt] ,
geboren op [geboortedatum] 1928 te [geboorteplaats] ,
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 23 oktober 2025.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.G.J. Brink, rechter, bijgestaan door B.M. Muller-Santana de Andrade als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 oktober 2024.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 30 oktober 2024.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.