Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:20560
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,501 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.34987
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J. de Jong),
en
de minister van asiel en migratie,
(gemachtigde: mr. M.J. Metselaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 september 2024 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde waren – met bericht – afwezig.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om overname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Dient de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van Dublinverordening aan zich te trekken?
5. Eiser is van mening dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich dient te trekken. Eiser vreest dat de Duitse autoriteiten zich niet zullen houden aan hun verplichtingen en dat een eventueel daartegen in te dienen klacht niet serieus zal worden genomen. Eisers problemen zijn complex en hij wenst dat de Nederlandse autoriteiten zijn asielaanvraag inhoudelijk in behandeling nemen. Zo is hij in Duitsland slachtoffer geworden van mensenhandel en van plan om hier aangifte van te doen. Tot slot is eiser van mening dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat de minister niet serieus is ingegaan op zijn argumenten.
6. De rechtbank oordeelt als volgt. Ten aanzien van Duitsland bestaat een bestendige lijn dat uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit recent nog bevestigd.2 Dit betekent dat de minister in beginsel ervan mag uitgaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het enkele standpunt van eiser dat de Duitse autoriteiten zich niet zullen houden aan hun verplichtingen en dat een eventueel daartegen in te dienen klacht niet serieus zal worden genomen, is hier onvoldoende voor. Hierbij merkt de rechtbank op dat eiser zijn standpunt niet heeft onderbouwd met stukken. Bovenstaande had dan ook geen reden voor de minister hoeven zijn om de aanvraag aan zich te trekken, op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
7. Eiser betoogt verder dat hij in Duitsland slachtoffer is geworden van mensenhandel. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd zijn niet voldoende bijzonder om van de overdracht aan Duitsland af te zien vanwege een onevenredige hardheid. Ook heeft de minister er terecht op gewezen dat van belang is dat Duitsland partij is bij het EVRM en dat eiser bij voorkomende problemen de Duitse autoriteiten of de daarvoor geschikte instanties kan benaderen. Niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. De minister heeft dan ook niet ten onrechte geen aanleiding gezien om de aanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
8. Het bestreden besluit is deugdelijk gemotiveerd.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding van zijn proceskosten krijgt.
2 ECLI:NL:RVS:2023:4107
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 oktober 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.