Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:20527
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,243 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.45035
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2024 in de zaak tussen
[naam] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
1. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat eerder tevergeefs is geprobeerd om hem uit te zetten en dat hij ook niet in het bezit is van identificerende documenten. Dat de minister op zitting heeft toegelicht dat er voor eiser een laissez-passer (lp) is verstrekt maakt niet dat er daadwerkelijk een lp is afgegeven. Volgens de gemachtigde van eiser wordt door de minister vaker beweerd dat er een lp is verstrekt, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is en de vlucht naar het land van herkomst uiteindelijk dan ook niet doorgaat.
1.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt allereerst op dat in de uitspraak van 6 mei 2024 de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat er in het algemeen (weer) zicht op uitzetting is naar Algerije binnen een redelijke termijn. De minister heeft op zitting toegelicht dat de Algerijnse autoriteiten voor eiser een lp hebben afgegeven, maar dat zij het de minister niet toestaan om deze aan het rechtbankdossier toe te voegen. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De enkele niet-onderbouwde stelling dat de minister vaker zou hebben beweerd dat er een lp is verstrekt terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is, volgt de rechtbank dan ook niet. Dat is temeer het geval omdat in het onderhavige geval niet is gebleken dat de minister eerder ten onrechte zou hebben gesteld dat er een lp voor eiser is afgegeven.
Handelt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting?
2. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Daartoe voert eiser aan dat hij al geruime tijd in bewaring zit.
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Voorop staat dat de rechtbank in dit beroep alleen de maatregel van bewaring die ziet op de periode vanaf het opleggen van deze maatregel – op 8 november 2024 – toetst. Uit het rechtbankdossier (voor de gemachtigde zichtbaar als stuk 14) blijkt dat op 11 november 2024 aan de gemachtigde van eiser een kennisgeving is gestuurd, waarin staat aangegeven dat er voor eiser op 4 december 2024 een vlucht naar Algerije staat gepland. De rechtbank ziet niet hoe hieruit zou moeten volgen dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Daar komt bij dat uit het verslag van het vertrekgesprek van 12 november 2024 blijkt dat eiser niet bereid is om mee te werken aan zijn uitzetting naar Algerije. Zo heeft eiser aangegeven dat ‘hij alles zal ondernemen om zijn vertrek tegen te houden en dat hij niet zal vertrekken.’ In dat opzicht kan een mogelijke vertraging in de uitzetting ook aan eiser zelf worden toegerekend.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.