Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:20447
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,516 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 23/5519 en SGR 23/5520
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2024 in de zaken tussen
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: A.F. van Hecke),
en
de invorderingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder.
Procesverloop
Aan eiseres zijn dwangbevelen opgelegd ter zake van aanslagen met aanslagnummers 1232355206 (dwangbevel 1) en 1240860044 (dwangbevel 2). Daarbij zijn kosten in rekening gebracht (de kosten).
De bezwaren tegen de kosten zijn gegrond verklaard. Bij beide uitspraken op bezwaar is een proceskostenvergoeding toegekend waarbij wegingsfactor 0,25 is toegepast.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Het beroep dat betrekking heeft op dwangbevel 1 is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SGR 23/5520; het beroep dat betrekking heeft op dwangbevel 2 is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SGR 23/5519.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2024.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en [naam 2].
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres heeft ter zake van een aantal aanslagen lokale heffingen verzocht om kwijtschelding. Op deze verzoeken was ten tijde van de oplegging van de dwangbevelen nog niet beslist.
2. In de –in zoverre gelijkluidende– uitspraken op bezwaar is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Uw argumenten
In uw bezwaarschrift tegen de kosten geeft u aan dat de aanvraag kwijtschelding nog in behandeling is.
Overweging
Het klopt inderdaad dat wij een beroepschrift kwijtschelding hebben ontvangen op 1-12-2022.
Ik heb uw bezwaar opnieuw beoordeeld en het blijkt dat uw aanvraag kwijtschelding nog in behandeling is.
Gezien het door u gestelde ben ik van mening dat de opgelegde aanmaningskosten dienen te komen vervallen.
Besluit
Ik verklaar uw beroep gegrond. De dwangbevelkosten zijn komen te vervallen.
(…)
Kosten rechtsbijstand: De vergoeding voor de rechtsbijstand is berekend volgens het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij is uitgegaan van 1 punt met wegingsfactor 0,25 “zeer licht” omdat het bezwaar heel eenvoudig van aard is. (…)”
Geschil
3. In geschil is of bij de toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase terecht is uitgegaan van wegingsfactor 0,25.
4. Eiseres stelt dat van een hogere wegingsfactor dient te worden uitgegaan.
5. Verweerder stelt dat terecht van wegingsfactor 0,25 is uitgegaan.
Overwegingen
6. Voor zover eiseres stelt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht heeft overgelegd, volgt de rechtbank haar daarin niet. Eiseres heeft onvoldoende geconcretiseerd welke op de zaak betrekking hebbende stukken nog zouden ontbreken.
7. Voor wegingsfactor 0,25 kan aanleiding bestaan in zaken met een zeer gering belang en met een zeer eenvoudig te beslechten geschil. Het gaat dan om zaken die slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandverlener behoeven.
8. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in onderhavige zaken aan de voorwaarden voor toepassing van wegingsfactor 0,25 gedaan. De inspanning van de gemachtigde heeft zich in de bezwaarfase kunnen beperken tot vermelding van de nog openstaande kwijtscheldingsverzoeken. Dit betreft een eenvoudige werkzaamheid van korte duur. Dat de gemachtigde in deze zaken een veelheid aan andere geschillen heeft betrokken en een context heeft geschetst die meerdere decennia teruggaat, was voor de afwikkeling van de bezwaren tegen de dwangbevelen 1 en 2 niet noodzakelijk. Voor haar stelling dat de oplegging van de dwangbevelen niet het gevolg is van een misslag, maar onderdeel vormt van een verdienmodel van de gemeente, is door eiseres geen enkel bewijs geleverd.
9. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om uit te gaan van een hogere wegingsfactor dan 0,25 en dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Zie Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechsthoven 2024, als bijlage opgenomen bij de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 1 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2158.